Maak gratis een account aan en krijg toegang tot het volledige forum. Paswoord vergeten? klik hier om een nieuwe aan te vragen. Neem contact op indien u problemen ondervindt met inloggen of registreren.
Maak een account aan!
Men had tijdens de verkiezingen ook gewoon op de juiste partij kunnen stemmen. Dat is het moment om je mening te laten gelden.
Dit is al zo lang bezig, en aan het stemgedrag te zien, heeft het merendeel van de Nederlandse bevolking er geen probleem mee.
Achteraf gaan janken vind ik zo ..
Beetje domme opmerking Q,
Heel de verkiezingen zijn gestuurd door onze rooie hond met als eindresultaat en gemanipuleerde verkiezing met 2 kampen lijnrecht tegenover elkaar.
Enige stemming die er geweest is is tussen Pvda en Vvd, bijna iedereen heeft tactisch gestemd en zit uiteindelijk met beide opgescheept.
Natuurlijk is dit burgerinitiatief gewoon een wassen neus maar na het referendum in 2005 genegeert te hebben, ben ik nogal benieuwd wat ze hiermee gaan doen.
Het moge duidelijk zijn dat de Eussr ons tot nu alleen geld en vrijheid gekost heeft en dus een onverantwoord prestigeproject is tot op heden waarbij noord voor zuid betaald en democratie monddood is gemaakt.
Dit initiatief is een keurig middel om jezelf ervan te overtuigen dat democratie een wassen neus is en de dikke reedt wordt geveegt met de burger.
De verdere bedroevendheid van 30000 stemmen op 16.000.000 wil ik niet eens aan denken.
Er is geen reden om dit systeem nog te steunen en dat wil ik graag wederom bevestigd zien.
gewoon zelf in de politiek gaan zou ik zeggen.
begin de verandering bij jezelf, dan je straat, dan je gemeente, dan je provincie, dan je staat, dan europa en dan de hele wereld..
simple come bonjour
referenda zijn gewoon bagger, weinig bindend en makkelijk naast zich neer te leggen.
er zijn partijen genoeg waar je op kan stemmen en er is vast wel iets dat jou wil past.
of ze ook daadwerkelijk iets gaan veranderen is nog maar de vraag.
het spelletje heet dan ook politiek ..
Natuurlijk is er al lang gestemd en natuurlijk gaan ze dit referendum ook weer naast zich neerleggen, maar dat willen we toch?? Ik wil duidelijkheid want deze poppekast is onhoudbaar.
Ergens vind ik het een bloody shame dat die teller nog niet op 3 miljoen staat maar soit, dat we tamme kloten aren geworden wisten we ondertussen al..
Voor diegenen die het echte lariekoek vinden, hebben jullie serieus het idee dat er een economische verbetering of beter alternatief voor de komende jaren komt?
Ik zie de toekomst zwaar in, het amerikaanse model zeg maar en dat moeten we toch niet willen denk ik..
Het land overstroomt met al dan niet geimporteerde incidentjes die de maatschappij hoe dan ook veel te veel geld kosten, vele incidentjes maken structurele problemen en die moeten opgelost en niet oneindig onder tafel blijven vegen.
Ik hoor het ze al zeggen; Met de kennis van nu wel ja, maar toen..
*Na de oorlog had ook ineens iedereen bij het verzet gezeten ofzoiets..
Ik citeer; People willing to trade their freedom for temporary security deserve neither and will lose both.
zonder google te gebruiken (het is een copy paste van een gekend auteur)
waarover gaat dit :
Op een morgen in mei begon het plots te sneeuwen. Niet zo maar een paar onschuldige vlinderende vlokjes, maar een flinke bui waar men
nauwelijks doorheen kon zien. Er was geen wind en de sneeuw viel loodrecht neer en bleef liggen, als pas gespoten brandschuim.
De mensen dachten dat ze droomden: het was wel heel ongewoon, zo'n pak sneeuw in mei. Onder de gepensioneerden, die op de banken in het
gemeentepark zaten, waren er enkelen die dit niet zo heel ongewoon vonden. Ze herinnerden zich een Pinksterweek kort voor de tweede
wereldoorlog, toen het hopen had gesneeuwd. Hoooopen, zeiden ze, en ze schoven hun kruk of wandelstok tussen de knieen om met beide handen te
kunnen aangeven hoe hoog die hopen wel waren geweest. De anderen,die niet zo'n goed geheugen hadden en het dus wel ongewoon vonden,
keken met hun uitgebluste ouwemannenoogjes zwijgend naar de dikke wattige snippers die over de kastanjebomen neerkwamen en op de gazons
bleven liggen. Het was raar om te zien, het leek wel gezichtsbedrog: als je onafgebroken bleef kijken kreeg je de indruk dat de kastanjebloesem
afsneeuwde. `Het merkwaardige is,' zei de broederschap, `dat het helemaal niet koud is.' Ze hadden inderdaad slechts een licht zomers jasje aan en
toch voelden ze geen kou. `Een opmerkelijk natuurverschijnsel,' zeiden ze -- en daar hadden ze dus wat om over te praten.
Die dag kwamen ook de meeste kinderen te laat op school, maar de onderwijzers waren niet boos. Ze zeiden er niets van, want zij vonden het
op hun beurt ongewoon, zo'n sneeuwpartij in het volle voorjaar. Ze konden het wel hebben, het was een uitzonderlijke gebeurtenis en
misschien ontstond op dat ogenblik in hun hoofden vol schoolse wijsheid al een nieuwe berijmde weerspreuk: _sneeuw in mei, dat kan er nog maar bij,
en 't maakt de kinderen blij._ De onderwijzers zelf maakte de sneeuw niet blij. Hun gezichten stonden ernstig, ze leken eerder bezorgd; waarschijnlijk
omdat de sneeuw niet op hun program stond. Onderwijzers kunnen nu eenmaal niet buiten hun program, ze worden er beroerd van als het met
hun lesrooster in het honderd loopt. En dat was hier toch wel het geval, want om te beginnen hadden de vele telaatkomers er schuld aan dat het
eerste lesuur moest wegvallen, en toen moest ook de filmvoorstelling in de gymnastiekzaal, die voorzien was in de voormiddag, worden afgelast.
Men kon moeilijk op zo'n dag een documentaire film projecteren over het ontwakende leven in de natuur. Neen, dat ging niet. Terwijl hun oren nog
nagloeiden van de sneeuwpret konden de kinderen onmogelijk zitten kijken naar het botten van de bomen, het broeden van de vogels en naar
rupsen die zich tot vlinders ontpopten. Er werd besloten de voorstelling te vervangen door een uur vrij tekenen, van tien tot elf. Daar hadden de
kinderen ook wat aan, en was het misschien niet honderd procent pedagogisch verantwoord, er kwamen tenminste verrassende dingen te
voorschijn uit de kleurpotloden: sneeuwpoppen in een bloeiende rozen-tuin en sleetochtjes in een landschap met zwaluwen en groene dreven.
Even na elf uur bezocht de directeur persoonlijk de verschillende klassen en zei tegen de onderwijzers: `we moeten de kinderen naar huis
sturen.' Ook h<e'>m maakte de sneeuw niet blij; hij zag er al even gedrukt uit als de onderwijzers. Blijkbaar had hij een nieuwe variant op de nieuwe
weerspreuk in zijn hoofd: _als het sneeuwt in mei, geven de scholen vrij._ Daarom zette hij natuurlijk zo'n somber gezicht: schooldirecteurs geven niet graag
vrijaf, want een school zonder kinderen is als een vijver zonder goud- vissen, erger nog: als een vijver zonder water. De kinderen werden dus
naar huis gestuurd. Toen ze de school uitkwamen was het pas opgehouden met sneeuwen. Maar de lucht, grauw en vochtig als een vers beraapte
muur, was nog steeds betrokken.
Bikkel was met enkele jongens van zijn klas in een voortuintje blijven spelen. Daar lag een machtige voorraad sneeuw voor het grijpen, fijn wit
en onbetreden. Ze hadden enorm veel plezier gehad, de sneeuw was klef en makkelijk kneedbaar en van een geregeld gevecht kwam het al gauw
tot uitbundigheden. Toen de melee haar hoogtepunt bereikte, werden ze door een grimmige bleekscheet uit het tuintje verjaagd. `Wil jullie wel
eens elders gaan spelen, je trapt al mijn primula's kapot' riep de ouwe sok hun van uit de portiek toe. De jongens wisten natuurlijk niet wat primula's
waren, maar ze begrepen wel dat hij de besuikerde plantjes in de plat-gelopen borders bedoelde. Omdat ze toen nog niet direct aanstalten
maakten om weg te gaan en Govert Geel zelfs zijn tong uitstak naar de spelbreker, pakte deze de boekentassen op die voor de portiek lagen en
gooide ze over het hek heen de straat op. Toen moesten ze wel aftrekken.
`Het is vast al na twaalven, er zal wat waaien als ik thuiskom,' zei Bikkel en zette het op een holletje. Hij woonde het verst van hen allemaal,
tegenover de amarilfabriek, in de buitenwijk. Zijn vader werkte in de amarilfabriek en wipte om twaalf uur, tijdens de schaft, naar huis over.
Als Bikkel niet op tijd aan de middagtafel verscheen, zou hij er duchtig van langs krijgen, vooral als ze er achter kwamen dat de school een uur vroeger
was uitgegaan. Voor zijn moeder was hij niet zo bevreesd, die liet zich gemakkelijk genoeg om de vinger winden, maar voor zijn vader was hij
als de dood. Die was heel opvliegend. Alles aan zijn vader was grof: zijn gezicht, zijn handen, zijn stem, zijn taal. Grof als het schuurpapier dat hij
in de fabriek hielp maken.
Na een poosje ging Bikkel al langzamer lopen. Het gaf nu toch niets meer, hij was in ieder geval te laat. Bovendien voelde hij zich opeens
vreselijk moe, alsof hij niet een uur, maar een hele voormiddag in de sneeuw had gespeeld. Hij liep voorbij de frituur waar zijn vader eens ruzie
had gemaakt met een snorkige buschauffeur. Wat verder was de winkel waar ze vorig jaar zijn fiets hadden gekocht, de fietsenman was inmiddels
aan kanker gestorven. Op de stoep voor de winkel lag een dode mus in de sneeuw. Hij bleef stilstaan en draaide het krengetje met zijn schoentip om,
boog er zich wat lager overheen om het aandachtig te bekijken. De vogel was stijfdood. Bevroren, dacht hij eerst -- maar neen, dat kon niet, zo koud
was het eigenlijk niet. Met zijn voet duwde hij hem onder de sneeuw, zodat alleen zijn pootjes er nog boven uitstaken, als twee vruchtesteeltjes.
Daarna sjokte hij voort, de Schansstraat in. De sneeuw kraakte onder zijn voeten, het was net of hij over de planken vloer van het vlieringkamertje
liep, waar de grijs bestoven ledepoppen en de uitgediende trapnaaimachine van zijn moeder stonden. Die planken maakten ook zo'n geluid.
Zijn gezicht en zijn handen gloeiden. Het was een vreemd gloeien, niet de bekende tinteling en het scherpe prikkende gevoel waar je zo'n last
van kon hebben als je van de kou in de warmte kwam, als je met je blote handen in de sneeuw had gemodderd. Neen, het was helemaal anders, als
het begin van een ziekte, alsof hij koorts had: een zware verhitting die je niet zozeer in je huid dan wel in je ingewanden voelde, tot in de keel toe.
Bijna alsof je lichaam een kuip was waarin je bloed zacht stond te stoven. Ook had hij pijn in zijn nek, alsof hij daar een stomp had gekregen.
Op het marktplein lagen hier en daar kleine donkere pakjes in de sneeuw, als weggeworpen afval. Hij liep er langs, schuin het plein over, en
toen zag hij dat de pakjes vogels waren, allemaal dode vogels. Verrast bleef hij staan en keek om zich heen. Dat is gek, dacht hij, zoveel dode
vogels. Dat had hij nog nooit gezien. Zou het door de sneeuw komen? vroeg hij zich af. Een van de diertjes leefde nog: een zwarte vogel met een
rose bek die aan de voet van het standbeeldje lag, in het midden van het plein. Hij lag op zijn zij en zijn bek ging open en dicht, alsof hij wilde
schreien en niet kon. Bikkel werd door medelijden bewogen. Hij ging er op zijn hurken bij zitten en keek nieuwsgierig toe. Het was zielig om te
zien. Hij praatte tegen de vogel. `Heb je honger? heb je dorst?' zei hij. `Zal ik je meenemen, in mijn boekentas?' Met zijn vinger beroerde hij
voorzichtig het openstaande bekje: `toe, zeg eens wat.' Hij aaide, steeds met dezelfde vinger, het donzige vachtje: `ben je ziek? heb je pijn? ik heb
ook pijn, in mijn nek, maar daar ga je niet dood van.' De vogel verroerde zich niet meer, zijn oogjes waren dicht en het bekje bleef openstaan. Hij
was dood.
Er kwamen twee mannen over het plein aanstappen, maar die keken niet naar de vogels. Zij schenen erg gehaast en waren druk met elkaar in
gesprek. Bikkel, die nog steeds gehurkt bij de zwarte vogel zat, ving het geheimzinnige woord op dat telkens weer in de gesprekken van de
volwassenen opdook en geladen was met een afschuwelijke inhoud. Een alarmwoord, een woord als een rood licht; in de mond van de
volwassenen had het dezelfde betekenis als gevaar, ziekte, dood, vernietiging. Het was een samengesteld woord, waarvan de twee delen
apart werden gebruikt in de onschuldigs te betekenissen, zonder dat daarbij werd gedacht aan gevaar, ziekte, dood of vernietiging. Maar als je
de twee delen samenvoegde en in een adem uitsprak, dan had je een heel ander woord, dat vreselijke onheilspellende woord dat voortdurend in de
kranten, in de radio -- he kijk, in de radio --, in de teevee en in de gesprekken van de volwassenen terugkeerde. De volwassenen gebruikten een massa
van zulke woorden om er dingen mee aan te duiden die je op school nooit hoorde noemen: dingen die het leven en het geluk van de mensen op aarde
bedreigden. Op school werden alleen maar opbouwende, stichtelijke, leerzame en nuttige woorden gebruikt: ontwakend leven in de natuur,
Heilige Drievuldigheid, tafels van vermenigvuldiging, onze ouders eren en gehoorzamen. Ook nooit samengestelde woorden, altijd enkelvoudige
en bij voorkeur eenlettergrepige woorden: vis, vuur, zak, boot, paard, fooi, feest, zee... Woorden voor dingen die je kon zien, horen, ruiken of aan-
raken. Nooit woorden voor dingen die tussen hemel en aarde in hingen, die je je op geen enkele manier kon voorstellen -- dat waren de woorden die
zijn vader en zijn moeder zo dikwijls gebruikten, vage en dubbelzinnige en doorschijnende aanduidingen als: schande, opslag, afdanken, krediet,
bijzit, kanker, transfusie en het beruchte rodelicht-woord.
Terwijl hij aan dit alles dacht, zette Bikkel zijn weg voort. De pijn in zijn nek straalde over de schouders uit, veroorzaakte kramp in zijn
ruggegraat. Hij voelde zich niet lekker en was liefst gaan neerzitten op een drempel, maar hij was bang dat zijn vader hem dan misschien zou
doodslaan.
Op de Hoge Dam ontmoette hij een huilende vrouw. Haar rood opgezet gezicht stond vol grote brandblaren en zij liep hem met veel
misbaar voorbij, de handen aan het hoofd. Hij draaide zich om en staarde haar met open mond na. Hij was blijkbaar de enige die zich over
dit schouwspel verwonderde; de overige mensen in de straat schonken haar niet de minste aandacht, het leek haast of ze blind en doof waren, of
ze niets zagen en hoorden van wat er om hen heen gebeurde. Er is vast iets aan de hand, dacht Bikkel, de mensen doen zo vreemd: overal liggen
dode vogels, maar dat vinden ze heel gewoon of ze zien het niet, en een huilende vrouw met brandblaren in haar gezicht vinden ze ook al niet
interessant genoeg om naar te kijken.
Maar dadelijk daarop ontdekte hij waarom de voorbijgangers niet op de huilende vrouw letten. Ze hadden iets anders om naar te kijken, iets
belangrijkers. De vrouw met de brandwonden was iemand met wie ze niets te maken hadden, die was een persoonlijk geval, maar wat
daarboven in de lucht gebeurde ging zeer waarschijnlijk hen allen aan. Op zijn beurt keek Bikkel omhoog, naar het vliegtuig dat laag over de
huizen kwam aangevlogen en een wolk van wit poeder achterliet. Het poeder hing korte tijd als een mistbank in de lucht en zeeg toen langzaam
over de straten neer. Het vliegtuig zwenkte af en verdween uit het gezicht. Bikkel herinnerde zich dat hij iets dergelijks onlangs ook op de teevee had
gezien, in het filmjournaal: helikopters die werden ingezet bij de bestrijding van een bosbrand. Dat gebeurde op precies dezelfde manier,
door besproeiing van uit de lucht. Nou, met bosbranden behoefde men hier geen rekening te houden. Als er geen bossen waren, kon je ook geen
bosbranden hebben. Zouden ze misschien van uit dat vliegtuig die sneeuw hebben gemaakt? Ze konden tegenwoordig alles maken wat ze wilden,
kunstmatig, tot zelfs nieuwe gezichten. Oom Karel bijvoorbeeld, die had een nieuw gezicht gekregen, compleet met snor en gebit. Van het oude,
van het afval, had men kunstmest gemaakt. Alles was kunst: kunstgezicht, kunstmest, kunstgebit (alles, behalve de kunst zelf, zei oom Karel). Maar
met die sneeuw was het toch niet helemaal in orde. Waarvoor deden ze dat? Wat hadden ze er aan, sneeuw te maken in het voorjaar? Niet voor
de kinderen, nee hoor, dat moest je maar niet geloven: speciaal voor de kinderen vonden ze niets nieuws uit, daar hielden ze zich niet mee bezig.
De mensen liepen weer door en hij volgde hun voorbeeld. Zijn boeken- tas begon ontzettend zwaar te wegen, zo zwaar als de hel. Dat was een
uitdrukking van Govert Geel: `als de hel'. Alles bij Govert was als de hel: zo zwaar als de hel, zo smerig als de hel, zo koud als de hel.
God, wat had hij een pijn in zijn nek. En zijn benen, daar had hij ook al zo'n raar gevoel in, alsof ze hem niet meer wilden dragen. Zijn benen
waren slap als de hel. Hij begreep dat er op de een of andere manier een verband moest bestaan tussen de pijn en de gloed in zijn lichaam, de dode
vogels, de huilende vrouwen het sproeivliegtuig -- maar hij kon niet gissen wat het was. Zou de vrouw met het blarengezicht misschien toch uit een
bosbrand zijn weggelopen? Hij was te moe om er verder over na te denken.
Over de huizen heen kwam een luide, schallende stem op hem af. Daar waren ze dus weer met hun reclamewagen; de stem kwam uit een
luidspreker. Af en toe zonden ze er ook muziek door uit, tenminste vorige week nog. Hij stond stil om te luisteren, maar het was te veraf
om te kunnen verstaan wat er gezegd werd. Heel even bleef het rode-licht- woord in zijn oren hangen. Dat verbeeldde hij zich natuurlijk maar.
D<a'a'>rvoor maakte men geen reclame, stel je voor. Men maakte alleen maar reclame voor mooie, lekkere en geriefelijke dingen. Van de andere
kant van de straat naderde een colonne legerwagens. Ze hadden rode kruisen op de cabines en je zag dus zo al dat het ziekenwagens waren.
De mannen die ze bestuurden waren echter geen soldaten, ze zagen er tenminste niet uit als soldaten, eerder als ruimtevaarders: ze hadden
zuurstofmaskers voor en hoog gesloten witte pakken aan. Een beetje griezelig, net een konvooi op weg naar de maan. Bikkel wreef zich de
ogen uit. Het was een wel h<e'e'>l rare bezending, vond hij. Van op het trottoir bleef hij roerloos staan kijken naar de auto's en hun geheimzinnige
bestuurders. Het maakte hem zozeer van streek, dat hij niet eens merkte dat de sneeuw al begon te smelten. De sneeuw veranderde geleidelijk
in een modderige brij, die plapperend en met kleine fonteintjes van onder de wielen van de auto's opspatte.
Het is een droom, dacht Bikkel, een film. Maar het was toch bijna allemaal echt. Zijn knieen knikten, zo moe was hij, en in zijn lichaam
versmolten de gloed en de pijn tot een gloeiende pijn. De colonne was voorbij en hij stond daar nog steeds op de trottoirband, starend naar de
sporen die de wagens in de modder hadden achtergelaten. In de verte hoorde hij mensen roepen en schelden, en brullen als wildebeesten. De
hele stad door reden er reclamewagens rond met luidsprekers die tegen elkaar op galmden. Zij zonden geen muziek uit, maar riepen
geheimzinnige boodschappen van andere planeten om en lieten wilde kreten horen van dieren die de aardbewoners op de andere planeten
hadden gevangen.
Het vliegtuig kwam opnieuw over, maar Bikkel keek er niet meer naar. De pijn in zijn nek was zo hevig, dat hij zijn hoofd nauwelijks kon
bewegen. Hij moest zien dat hij zo gauw mogelijk thuiskwam, want hij was zo ziek als de hel. Nu zou zijn vader wel verschrikkelijk boos zijn (zo
boos als de hel), maar zodra hij zag dat zijn jongen ziek was, zou hij hem toch niet doodslaan.
Hij wilde naar de andere kant van de straat oversteken, toen iemand hem bij de arm greep. Van schrik liet hij zijn boekentas vallen. Hij keek in
een zuurstofmaskergezicht. Het enige wat daarin leefde waren de ogen: de ogen die tegen hem praatten met een eigenaardige verstikte stem. Niet
de mond, maar de ogen praatten tegen hem. De mond zag hij niet. Het masker praatte als een radiostation waarop niet zuiver was afgestemd. Het
afleesmes stond tussen Kuopio en Hilversum. Er kwamen twee verschillende stations door en je kon noch de een noch de ander verstaan.
Dat was me een gebrabbel.
Er was ook nog een andere man met een zuurstofmasker naast hem opgedoken en die praatte op dezelfde manier tegen hem. Bikkel week
achteruit en wilde zeggen dat er overal dode vogels lagen in de sneeuw en dat hij ziek was, maar voordat hij een woord had kunnen uitbrengen
duwden de maskers hem een natte doek in het gezicht die naar zuurtjes rook, naar het flesje waarmee zijn moeder het nagellak verwijderde van
haar vingers. De maskers pakten hem elk bij een arm vast en duwden hem een eindje voort, de trottoirband af. Hij kon niets zien, maar hij voelde
hoe hij in de hoogte werd gehesen door een paar sterke armen. Verlamd door angst als hij was, kon hij niets zeggen en niets doen, hij kon zelfs niet
meer nadenken. Men deed hem neerzitten op een lattenbank of wat hij daarvoor hield. De doek gleed van zijn gezicht af en hij zag dat hij op een
bierwagen zat. Er lagen geen vaatjes meer in, maar je kon het bier nog vaag ruiken. Aan de twee lange kanten van de laadbak stonden nu
banken, ruwe lattenbanken waarop knikkebollende mensen zaten, mannen en vrouwen en een jongetje dat een paar jaren ouder scheen dan
Bikkel. Die mensen hadden allemaal grote brandblaren in hun gezicht, zoals de huilende vrouw op de Hoge Dam. Maar de mensen op de bier-
wagen huilden niet. Zij zaten met verdwaasde gezichten voor zich uit te staren en knikten gedurig met het hoofd, alsof ze in de verte iemand zagen
aankomen die ze kenden maar terzelfdertijd bang waren de aandacht te zullen trekken, uit schaamte omdat ze op een bierwagen zaten en als
vaatjes pils werden behandeld.
Er klom een gemaskerde man in de laadbak. Hij maakte het slag met de kettinkjes dicht en onmiddellijk daarop zette de wagen zich in beweging.
Het masker kwam naast Bikkel zitten en legde met een beschermend gebaar zijn arm om diens schouder. Hij zei niets, want hij was doodsbang
en moe en ziek en het kon hem op dat ogenblik nog weinig schelen wat de maskers met hem voorhadden. De mensen op de banken werden dooreen-
geschud, maar het scheen hun al even weinig te kunnen schelen, ze keken elkaar niet aan en zeiden ook niet `pardon' als ze door een slingerende
beweging van de wagen tegen elkaar aanvielen. Van hun gezichten kon men alleen maar een dodelijke onverschilligheid aflezen, in een enkel
geval verstarde verbazing: de gebroken uitdrukking van een speelpop waarvan de veer te ver werd opgewonden. Het jongetje bijvoorbeeld zag er
zo uit: als een verprutst mechaniekje.
Bikkel luisterde naar het gespetter van het dooiwater onder de wielen. Het was of ze door het wad in een rivier reden. Op de oever loeiden de
sirenes. Mijn boekentas, dacht Bikkel. Zijn boekentas, met de gloednieuwe Atlas der Volken er in, was in de sneeuw blijven liggen. Wat zou zijn
vader tekeergaan! Maar het was toch heus zijn schuld niet, dat de ruimte-vaarders hem hadden meegenomen? Hoe had hij dit kunnen verhinderen?
Hij keek flauw naar de man die vlak tegenover hem zat. Zijn gezicht was pijnlijk vertrokken door de blaren. Er stond een blaar als een
kauwgom bel onder zijn neus waardoor zijn bovenlip optrok en zijn geel beslagen tanden zichtbaar werden als bij een doodskop. Bikkel zag hoe de
man afwezig door zijn haar streek -- hij had mooi blond krulhaar -- en er een pluk, groot genoeg om er een handstoffer van te maken, mee uithaalde.
Het leek wel of zijn haar niet op zijn hoofd was ingeplant, maar er met slecht houdende lijm op was vastgeplakt. Verbijsterd keek de man naar
het uitgekamde haar tussen zijn vingers. Hij kon er de ogen niet van afhouden, met zijn grijnzende mond zat hij er aldoor op te st<a'>ren. Hij
wierp de streng niet weg en liet ze ook niet op de vloer vallen, maar hield ze gedurende de verdere rit krampachtig in zijn hand geklemd, als een
kostbare relikwie.
Bikkel voelde zich misselijk worden. Hij wendde het hoofd af en probeerde niet meer naar de man te kijken. Hij keek naar de huizen
waarlangs ze reden. Hij kon nog juist zien hoe de sneeuw van de daken afschoof, toen de bierwagen vertraagde, een korte zwenking maakte en
een hoge poort inreed. De auto stopte op een kleine binnenplaats en daar moesten ze er allen uit. Daar werden ze opgewacht door witte gemaskerde
mannen en vrouwen, die zwijgend met brancards toesnelden.
Op de binnenplaats had het niet gesneeuwd. Het rook er naar het voorjaar, naar de zonnige onbezoedelde lente. Er bloeiden prachtige rode
bloemen in de perken en naast de grote ramen waren groene ranken opgeleid die onder de dakgoot uitwaaierden. Dat kon Bikkel nog zien
voordat hij werd opgetild en op een brancard gelegd. Hij werd door een lange, betegelde gang gedragen en de schommelende beweging maakte
hem aan het braken. De hete brij, die onderweg de hele tijd in de kuip van zijn lichaam had staan stoven, kookte plots over. Het braaksel
besmeurde zijn kleren, de draagbaar en de gang, maar er was niemand die daar acht op sloeg. Ze liepen gewoon met hem voort en droegen hem
een grote zaal vol schel licht in. Toen hij de hand naar zijn gezicht bracht om zijn ogen tegen het overweldigende licht te beschermen, zag hij dat er
van die vreselijke blaren op de rug van zijn hand stonden. Blaren als kauwgombellen.
Bedreven handen kleedden hem uit, handen zonder blaren. Hij moest zijn naam en adres opgeven en daarna kreeg hij een prik in zijn huid,
maar die prik deed geen pijn. Hij werd er amper iets van gewaar. Zijn huid was gevoelloos, week en opgezet als een spons. Maskers bogen zich
over hem heen. Ogen die hem aanstaarden achter spiegelende patrijs-poortjes. Het sneeuwt haast nooit in mei, hoe komt dat toch? dacht hij.
Een rood licht ging onder zijn oogleden aan en uit en versprong in de ruimte, op het schakelbord van zijn verbeelding, als de lampjes van een
gokautomaat. Een vrouwenstem sprak het rodelicht-woord uit, en zodra het tot zijn bewustzijn doordrong viel het in twee delen uiteen. De twee
delen bleven in zijn hoofd heen en weer schuiven, van de ene naar de andere kant, als knikkers in een trommeltje of een lege jampot wanneer je
die beurtelings naar links en dan weer naar rechts liet hellen, en omdat zijn hoofd voortdurend groter werd moesten de knikkers telkens verder
rollen voordat ze konden terugkomen. Toen waren er opeens zoveel knikkers, datje er zinnetjes mee kon maken, onschuldige zinnetjes waarin
de rode stuiters niet meer zo dreigend uitkwamen. Bijvoorbeeld een zinnetje als :zet de radio toch wat zachter. Dit was een zinnetje van zijn
moeder. En dit was er een van zijn vader: op die leeftijd ben je al niet meer zo actief. Rolden de knikkers allemaal samen terug, of toch ongeveer allemaal,
dan werd dat: op die leeftijd ben je al wat ***** ******. Dat was een zinnetje van iedereen, van God en alle mensen, want het samengestelde rodelicht-
woord zat er in.
Tot de avond bleven de knikkers in Bikkels hoofd heen en weer rollen. Hij ijlde en riep af en toe om zijn moeder. Zijn moeder ging met een
vreemd jongetje aan de hand naar huis en hoe hij ook schreeuwde en zich hees riep, van uit het besneeuwde voortuintje waarin hij gevangen zat, ze
keek geen ogenblik om, want ze had nu een ander oppassender jongetje en wilde niets meer met hem te maken hebben. Een grimmige bleekscheet
kwam het tuintje in en zei: `jij schreeuwlelijk, ik zal je leren zo'n misbaar te maken.' Hij maakte Bikkels boekentas open, haalde er de Atlas der
Volken uit en begon er een voor een alle platen uit te scheuren. Bikkel huilde als een wolf. Toen de man dat hoorde, werd hij door een vreselijk
medelijden bewogen en stond hij weldra op zijn beurt te huilen. Daarbij trok hij zich hele plukken haar uit het hoofd, zolang totdat hij kaal was.
Er kwam een vliegtuig over dat reclameballons uitwierp. Bikkel kon niet achter de ballons aanlopen, want hij zat gevangen in het tuintje. Hij
viel voor de bleekscheet op zijn knieen en smeekte om een ballon, maar de man schudde het hoofd en zei: `Je bent zo gek als de hel, dat zijn toch
geen ballons, kijk maar eens goed.' Bikkel keek en toen zag hij inderdaad dat het geen ballons waren. Het waren dode vogels. Een van de vogels,
een zwarte met een roze snavel, viel in het tuintje, naast de uitgescheurde platen van de atlas. Hij leefde nog en Bikkel hurkte bij hem neer. `Arme
vogel,' fluisterde hij, `heb je pijn? ik heb ook pijn, in mijn nek, maar daar ga je niet dood van.' De bleekscheet kwam bij hem staan en zei: `Pas
maar op, ik zou hem maar niet aanraken, misschien is hij ***** ******.' Bikkel hoorde de waarschuwing niet. Hij aaide de vogel zacht over het
hoofd, met zijn wijsvinger. `Daar ga je heus niet dood van, van zo'n beetje pijn,' herhaalde hij steeds weer, en terwijl hij dit zei, zonken de tuin en de
man en de vogel uit hem weg en gaf hij de geest.
***** ****** zoeken we dus
zij die het weten na één leesbeurt hebben begrepend gelezen.
allen die het niet weten moeten terug naar school.
net zoals iedereen die op de verkeerde partij stemde en daardoor nu in de impasse van de hedendaagse politiek geen uitweg meer zien.
suck6
Last edited by EL Guerilliero; 11 March 2013, 09:44.
Reden: zei vs zij / steeds een probleem
Comment