Ik kwam dit boek tegen op internet. 
Ik dacht ik vereeuwig het maar even op deze site..
Echt alles over het kweken van wiet staat erin beschreven. Erg leerzaam.
Ook het maken van hasj etc staat erin beschreven!
From: sturm@waffe.nl (STuRM)
Newsgroups: alt.drugs.pot,alt.drugs.pot.cultivation
Subject: Nederwiet - how to grow weed at home - nederwie.txt [1/1]
Date: 8 Nov 1995 12:45:41 GMT
Message-ID: <47q8pl$d9q@mo6.rc.tudelft.nl>
Dit dokument is oorspronkelijk een boekje. Omdat er maar
weinig van in omloop zijn, heb ik de hele boel maar overge-
schreven en op een berg BBS-en gegooid. Het behandelt zo'n
beetje alles wat je over de bereiding van wiet kunt vertellen.
Hoewel het boekje al zo'n tien jaar oud is, is er niet zo gek
veel veranderd. Alleen met betrekking tot de juridische zaken
is er wel het een en ander veranderd. Wat hierover in deze doc
staat, moet je je dus niet zoveel van aantrekken.
Ik kan alleen nog zeggen: lees het eens door en ga aan de
slag. Voor vragen, opmerkingen (niet over deze doc, ik heb het
niet geschreven), interessante lektuur, enz. over hennep,
neder-wiet en cannabis ben ik te bereiken onder:
arno.van.manen@ensing.idn.nl
Nederwiet, Maak er wat van!
************************************************** ************
Inleiding
Het verbouwen van wiet en het verder verwerken daarvan, is
iets dat de laatste tijd meer en meer in zwang komt. Niet
alleen de steeds hoger wordende prijs van de buitenlandse
hennepprodukten is daarvan de oorzaak - ook nieuwsgierigheid
naar het zelf vervaardigen van deze produkten speelt een
belangrijke rol.
Denk nou niet bij het horen van de naam Nederwiet: "O, dat zal
wel weer rotzooi zijn"; met een beetje aandacht en een naar
verhouding tot de normale uitgaven aan hennepprodukten vrij
lage investering in hulpmiddelen en apparatuur, is er een
produkt te maken dat de kwaliteit van de buitenlandse produk-
ten zeer dicht benadert en dat zichzelf in korte tijd weer
terug verdient.
Dit dokument kan een leidraad zijn voor al diegenen die nu een
aan de slag willen. Het beschrijft hoe het kweken van de
planten tot een goed einde gebracht wordt en geeft een aantal
gevarieerde verwerkingsmogelijkheden van de wiet met als
hoogtepunt eigen gemaakte blanke olie.
In deze tweede druk zijn een flink aantal aanvullingen en
wijzigingen aangebracht, met name wat betreft de vollegrond
kultuur en het bereiden van hasjiesj. Verder is er een apart
hoofdstukje gewijd aan de juridische aspekten omdat er de
laatste jaren nogal wat gewijzigd is in het beleid t.a.v.
nederwiet.
Nederwiet, maak er wat van!
************************************************** ************
Inhoud
1 Iets over de hennepplant
1.1 Twee ondersoorten
1.2 Verschillende rassen
1.3 Werkzame stoffen
1.4 Verschillende THC soorten
1.5 Mannelijk en vrouwelijk tegelijk
2 Het verbouwen van de wiet
2.1 De vollegrond kultuur
2.1.1 De grond
2.1.2 Zaaien
2.1.3 Selekteren
2.1.4 Verdere verzorging
2.1.5 Oogst
2.1.6 Hennep in de moestuin
2.2 De potkultuur
2.2.1 Zaaien
2.2.2 Verzorging van de opgroeiende plant
2.2.3 Vervroegen van de bloei
2.2.4 Ongedierte
2.2.5 Oogst
2.2.6 Meerjarige planten (wietbomen)
2..3 Bijzondere teeltmaatregelen
2.3.1 Maagdewiet
2.3.2 Klieven
2.3.3 Kunstmatige transpiratie
2.3.4 Reuzengroei m.b.v colchicine
2.4 Kunstmatige bestuiving
2.4.1 Stuifmeel winnen
2.4.2 De bestuiving
2.4.3 Oogsten van het zaad
2.4.4 Volgende jaren
2.5 Afval als voeding
3 Verwerken
3.1 Eenvoudige verwerking van de wiet
3.1.1 Inbinden toppen
3.1.2 Inbinden restanten
3.1.3 Inbinden potkultuur oogst
3.1.4 Wiet als borrel
3.1.5 Wietcake
3.1.6 Wietthee
3.2 Hasjiesj maken
3.2.1 Zeven en persen
3.2.2 Afrollen
3.2.3 Begraven
3.3 Olie maken
3.3.1 Principe van het olie maken
3.3.2 Enkele opmerkingen vooraf
3.3.3 De terugvloeitoren
3.3.4 Indikken van de tinktuur
3.3.5 De overloop toren
3.3.6 Zuiver THC (blanke olie)
3..3.7 Terugwinnen van de alkohol
3.3.8 Methanol en ethanol
4 Juridische aspekten
4.1 Wiet als windkering
4.2 Zaad winning
4.3 Verwerkte produkten
************************************************** ************
1 Iets over de hennepplant
Hennep is een tweehuizige plant. Dat wil zeggen de er manne-
lijke en vrouwelijke planten zijn.
De mannelijke planten vormen de stuifmeelbloemen, kleine gele
bellen die in losse ijle pluimen staan.
De vrouwelijke bloemen produceren het zaad. De stamperbloemen
staan in dichte, aarvormige bloeiwijze, dicht tegen de stengel
aan. De aartjes zijn bedekt met duizenden kleine haarvormige
kliertjes, die een olieachtige substantie bevatten. Het is
deze vrouwelijke plant die ons het meest interesseert: de
kliertjes bevatten de stof die het 'high' gevoel maakt: Tetra-
Hydro-Cannabinol (THC).
1.1 Twee ondersoorten.
De cannabis sativa, zoals de plant op z'n Latijn heet, kent
twee ondersoorten. De eerste ondersoort, de Cannabis Sativa
Hollandica wordt al eeuwenlang in ons landje verbouwd, iets
war de naam al doet vermoeden. Deze ondersoort is vooral van
belang voor de touwslagerijen. De vezels van de mannelijke
plant worden door een bacteriekweek losgeweekt van de stengel.
Dit is zogenaamde roten. De vezels worden daarna gebleekt en
verder verwerkt. De vrouwelijke plant is wat dat betreft
waardeloos, zij dient alleen voor de zaadproduktie. Door
eeuwenlange selektie is deze ondersoort uitgekweekt op de
vorming van zo lang mogelijke vezels. De planten zijn dan ook
herkenbaar aan de lange, rechte, toto drie meter hoge stam met
alleen helemaal bovenin enkele vertakkingen. De oliekliertjes
van de vrouwelijke plant zijn in de loop der eeuwen gedegene-
reerd.
De andere ondersoort is de Cannabis Sativa Indica. Deze is
gekweekt om de geestverruimende werking van de vrouwelijke
bloemtoppen. Die toppen barsten dan ook van de oliekliertjes.
De planten zijn over het algemeen wijd vertakt en dus ook veel
breder dan de andere ondersoort. De mannelijke planten zijn
vrijwel waardeloos bij de Cannabis Sativa Indica, omdat er een
reusachtige hoeveelheid planten nodig is om een klein beetje
hasjiesj te maken. Ook de lengte van de vezels is van dien
aard dat het niet loont om deze te winnen.
De Cannabis Sativa Indica vormt de basis van de Nederwiet. De
"echte" Nederwiet is afkomstig van (sub)tropisch zaad, dat al
tenminste zeven generaties in Nederland is doorgekweekt.
1.2 Verschillende rassen
De Cannabis Sativa Indica kent verschillende rassen met elk
hun eigen, specifieke eigenschappen. Zo zijn er vroeg- en
laatbloeiende rassen, rassen met dikke, volle toppen of met
slanke, luchtige toppen, wijdvertakte rassen met vele toppen
of rassen die maar weinig vertakt zijn, met ‚‚n grote hoofd-
top. Al deze eigenschappen zij erfelijk. Veelal heeft elk land
zijn eigen ras, dat optimaal aan het heersende klimaat is
aangepast. 7-jarige Nederwiet begint ook al duidelijke eigen-
schappen te krijgen van een apart Nederlands ras.
1.3 Werkzame stoffen
De belangrijkste werkzame stof hebben we al genoemd, de Tetra-
Hydro_cannabinol. Deze stof komt alleen voor in de kliertjes
van de vrouwelijke planten.
THC behoort tot de groep van etherische oli‰n en is afgeleid
van Cannabidiol (CBD), dat in de binnenste delen van de blade-
ren in ruime hoeveelheden voorkomt. Deze CBD wordt onder
invloed van warmte en uitdroging in de kliertjes omgezet naar
THC.
Die CBD wordt in de bladeren weer gevormd uit Cannabinol
(CBN), een stof die vooral in de opwaartse sapstromen voor-
komt.
CBD en CBN hebben nauwelijks een geestverruimende werking en
ze zorgen alleen voor een zwaar, drukken gevoel in het hoofd
en kunnen hoofdpijn veroorzaken.
In sommige literatuur wordt ook nog een alkaloide als werkzame
stof genoemd. Het zou hierbij gaan om muscarine, een stof die
nauw verwant is met het werkzame gif van de vliegenzwam. Deze
stof zou alleen in de vrouwelijke bloemen voorkomen en het
high-effekt van de wiet veroorzaken. Bij het bereiden van
hasjiesj blijft deze stof in de restanten van de plant achter.
Vandaar het verschil in de uitwerking tussen wiet en hasjiesj.
De werkzame stof, de THC, bevind zich dus aan de buitenkant
van de toppen, in de kliertjes. Dit punt moeten we goed in de
gaten houden bij de latere verwerking van de wiet.
Het hoogste gehalte aan THC hebben de zaadloze vrouwelijke
planten: de maagdewiet of sinsemilla (spaans voor "zonder
zaad"). Wanneer eenmaal de bestuiving heeft plaatsgevonden,
richt de plant haar krachten op de zaadvorming. De THC-produk-
tie komt dan op de tweede plaats.
1.4 Verschillende THC-soorten.
Nu is het echter niet zo dat de geestverruimende werking van
elke plat hetzelfde is. De werkzame stof, de THC, bestaat
namelijk in verschillende vormen, met een mooi woord "isome-
ren" genoemd. Deze stoffen, zo'n tien in totaal, voldoen aan
de totaalformule Tetra-Hydro-Cannabinol, ze verschillen onder-
ling echter in hun chemisch struktuur en werkzaamheid. Van
sommige THC-soorten wordt je totaal niet anders, van andere
vormen is een klein beetje al voldoende.
De verschillende THC-soorten worden aangeduid met Delta (voor
het gemak even met "D" aangeduid), gevolgd door een nummer
(b.v D6 THC of D9 THC). Nu is het voor ons natuurlijk ondoen-
lijk om precies uit te zoeken wat voor D-THC onze planten
bevatten, maar dat is ook niet zo belangrijk. De verschillende
vormen van THC zijn op geur namelijk goed van elkaar te onder-
scheiden. Nu is het natuurlijk onmogelijk om geuren op papier
met elkaar te delen, dus het komt op ervaring aan als je de
goede planten met je neus van slechtere planten wilt onder-
scheiden. Maar dat leer je vanzelf, als je langer met de
planten omgaat. En dan zal je zien dat de op het oog lekkerste
geur niet op de meest aktieve THC-vorm hoeft te wijzen.
1.5 Mannelijk en Vrouwelijk tegelijk
Het komt nogal eens voor dat een plat hermaphrodiet is: d.w.z
dat er zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen aan dezelfde
plant zitten.
Wanneer vrouwelijke planten niet bestoven worden (bijv. bij
het kweken van maagdewiet), kunnen zij de eigenschap hebben om
zelf mannelijke bloemen te vormen. De onbevruchte plant vormt
dan alsnog zaad door middel van zelfbestuiving. Dit verschijn-
sel is op zich geen zeldzaamheid, hoewel het ook niet echt
regelmatig voorkomt.
Hermaphrodiete planten zijn er in verschillende verschijnings
vormen. Het meest gebruikelijke is, dat in de ver ontwikkelde,
maar onbestoven vrouwelijke bloemtoppen op het eind van de
aartjes enkele mannelijke bloemetjes worden gevormd. Deze
vallen haast niet op en je ziet ze zo over het hoofd.
Wat minder vaak komt het voor dat vanuit de bladoksels opeens
komplete mannelijke bloemschermen worden gevormd aan langge-
rekte takjes. Deze vallen wel erg op en het is ook een heel
fraai gezicht.
E‚n geval van hermaphrodiete plant wil ik hier niet onvermeld
laten. Aan het begin van de bloeitijd trapte ik per ongeluk op
een vrouwelijke plant, waardoor deze bij de grond afknakte.
Uit stomp die over bleef liepen twee nieuwe stengel uit,
waarvan de een mannelijk en de ander vrouwelijk was. Vanuit
‚‚n stam had ik een mannetje en een vrouwtje naast elkaar
staan, beide niet hoger dan ca. 40 cm. Opvallend was, dat de
vrouwelijke plant alleen onvruchtbaar zaad gaf, maar wel zeer
rijk was aan THC-kliertjes.
Wanneer we ontdekken dat een van onze planten hermaphrodiet
is, kunnen we deze maar het beste gelijk verwijderen, omdat
hij/zij ook andere planten kan bestuiven. Hooguit kunnen we de
plant gescheiden van de andere planten zetten bij wijze van
curiositeit.
Het omgekeerde, dat mannelijke planten vrouwelijke bloemen
vormen, komt nooit voor.
************************************************** ************
2 Het verbouwen van de wiet
Voor het verbouwen van de wiet zijn er in principe twee manie-
ren: de potkultuur en de vollegrondkultuur. Elk hebben ze hun
eigen voor- en nadelen.
Bij de potkultuur kunnen we een kunstmatig klimaat rond de
planten aanleggen, waardoor de planten gemakkelijk aangezet
worden tot een hoge THC-produktie. De opbrengst is echter vrij
gering.
Bij een vollegrondkultuur staan de planten bloot aan alle
grillen van ons klimaat. De opbrengst is een stuk hoger, maar
de kwaliteit is in eerste instantie een stuk lager. Bij selek-
tieve doorkweking krijgen we echter een ras, dat volledig is
aangepast aan ons klimaat en dat ook tot een hoge THC-produk-
tie komt. Dat is de echte Nederwiet. Het duurt ongeveer zeven
generaties voordat de planten van buitenlands zaad zijn aange-
past. De Nederwiet krijgt dan ook de eigenschap om te gaan
verwilderen.
Voor de potkultuur kunnen we in de regel uitgaan van eerste-
klas buitenlands zaad, hoewel meerjarig zaad ook hier betere
resultaten geeft. Dit moet dan wel zaad zijn van planten die
ook al in een pot of bak werden verbouwd.
Op de verschillende manieren van verbouwen kunnen we enkele
bijzondere kultuurmaatregelen toepassen om de THC-produktie
kunstmatig te verhogen, of om mooier gevormde toppen te krij-
gen.
Via kunstmatige bestuiving kunnen we verschillende erfelijke
eigenschappen van de planten doorkweken om zo een eigen ras te
laten ontstaan, met alleen de beste kenmerken. Het afval van
de planten dat tijdens de kultuur vrijkomt, kan op eenvoudige
wijze worden omgezet in plantenvoeding voor het volgende
seizoen.
2.1 De vollegrondkultuur
In eerdere uitgaven van dit boekje werd aanbevolen om de wiet
ruim te verbouwen op rijen van 1,25 meter uit elkaar, met 75
cm afstand in de rij. De nadruk werd hierbij gelegd op het
kweken van forse hoge planten.
Hoewel de kwalitatieve resultaten bij dit systeem goed waren,
moet ik hier nog van terug komen en wel om zuiver praktische
redenen. Die hoge planten zijn namelijk een geweldige blikvan-
ger, ook van ruime afstand. En aangezien het juridische kli-
maat in Nederland danig is veranderd, is dit niet zo best voor
de overlevingskansen van het veldje. Tot ca. 10 vierkante
meter is er nog niet zoveel aan de hand, dat wordt min of meer
(maar niet zwart op wit) getolereerd. Boven de 10 vierkante
meter loop je echter snel de kans om een proces verbaal aan je
broek te krijgen, en dan is het dus uitkijken geblazen.
De teelt moet er dan ook op gericht zijn om kleine planten te
kweken (ca. 75 - 100 cm. hoog) door dicht op elkaar te zaaien.
Voor de vollegrondkultuur gaan we bij voorkeur uit van zaad
van planten die tenminste zeven generaties in Nederland in de
vollegrond zijn verbouwd.
2.1.1 De grond
De grond waar we de planten gaan verbouwen moet het liefste
vrij hoog gelegen zijn, op een plaats waar de hele dag de zon
kan komen. Een winderige plaats is niet zo erg, belangrijk is
dat neerslag snel in de grond kan wegtrekken, zonder dat er
plassen blijven staan..
De beste grond die we kunnen gebruiken is grond die redelijk
vruchtbaar en los is (zwart en kruimelig). Er mag in geen
geval verse mest in de grond voorkomen. Dit geeft een veel te
rijke bladgroei en veroorzaakt stoornissen in de stofwisseling
van de plant.
2.1.2 Zaaien
Tussen half maart en eind mei wordt de wiet breedwerpig inge-
zaaid op een van te voren onkruidvrij gemaakt stuk grond. Het
zaad moet vrij dicht komen te liggen (gem. 3 x 3 cm.) Vervol-
gens wordt het zaad licht ingeharkt of afgedekt met hennepkom-
post van vorig jaar (zie aldaar). Het beste is om vlak voor
een regenbui te zaaien. Het zaad komt door de gelijkmatige
neerslag goed vast te liggen en kan zich tegelijk goed volzui-
gen met water. Het wordt voor vogels dan tevens moeilijker
gemaakt om zaad weg te pikken, want die zullen zeker komen.
Het kiemen van de zaden duurt ‚‚n tot drie weken, afhankelijk
van het weer. Na opkomst wordt het veldje de eerste tijd
onkruid vrij gehouden, tot de wietplantjes zo hoog worden dat
er geen zonlicht meer op de grond kan doordringen. Op rijke
gronden wil het nog wel eens voorkomen dat de wiet te weelde-
rig gaat groeien. Eind mei is de hoogte dan al 40 tot 60 cm.
De planten moeten dan teruggesnoeid worden tot 15 a 20 cm. met
behulp van een zeis of een schaar. De planten lopen binnen de
kortste keren weer uit vanuit de bladoksels. De groei wordt
dan veel dichter en de planten worden niet zo hoog (75 tot 100
cm.).
2.1.3 Selekteren
Wanneer zo rond half juni de planten beginnen te bloeien,
worden ze geselekteerd op hun geslacht. Zo rond die tijd
ontstaan in de bladoksels de eerste bloemetjes. Aan dit bloem-
pje kunnen we zien of we met een mannelijke of een vrouwelijke
plant te doen hebben. Is het bloempje bel-vormig, (net een
groen of geel zaadje) dan is het een mannelijke plant. Heeft
het bloempje twee duidelijke bruine of grijze haren, dan is
het een vrouwelijke plant.
Het verder selekteren begint bij de mannelijke planten. Op het
veld zoeken we ‚‚n of twee mannelijke planten uit, die zich
het best ontwikkelen. Deze laten we staan en de rest van de
mannelijke planten trekken we er allemaal uit. E‚n of twee
mannelijke planten is genoeg om voldoende zaadzetting bij de
vrouwelijke planten op het veld te krijgen. Die twee mannelij-
ke planten kunnen we een week (of twee) later ook uit de grond
trekken. We krijgen dan maar enkele zaden in de vrouwelijke
toppen en is over het algemeen voldoende om volgend jaar weer
een veldje te kunnen zaaien. De overgebleven vrouwelijke
planten laten we allemaal staan. Deze leveren de eigenlijke
wiet. Wel kunnen we die planten vast uittrekken, waarvan de
geur wijst op een niet of weinig aktieve THC-vorm. Maar daar-
voor moeten we de verschillende geuren en hun bijbehorende
aktiviteit terdege kennen. Dus als je het niet zeker weet:
laten staan!
2.1.4 Verdere verzorging
De overgebleven planten staan nu dicht op elkaar. Die dichte
stand is zeker niet nadelig voor de planten. Het is eerder een
voordeel: de planten moeten flink met elkaar konkurreren om
het in de bodem aanwezige vocht, hetgeen eerder tot uitdroging
leidt. Aan de andere kant houdt de dichte vegetatie veel vocht
vast tussen de planten. Dit is minder gunstig, omdat dit
schimmelvorming en verrotting in de hand werkt. Dit kunnen we
voorkomen door regelmatig grote stengelbladeren weg te pluk-
ken, zodat de planten door de wind sneller opdrogen. De zon
kan dan ook dieper in de vegetatie doordringen.
Tijdens de verdere groei kunnen we nog enkele bijzondere
teeltmaatregelen toepassen, maar daarover verderop meer.
2.1.5 Oogst
De oogst vindt plaats als de toppen goed ontwikkeld zijn en de
eerste zaden nagenoeg rijp zijn. We wachten op een periode met
warm zonnig weer, omdat het THC-gehalte dan het hoogst is. Met
het oogsten moet ook niet te lang gewacht worden, anders
bestaat de kans dat de toppen door schimmels aangestast wor-
den, vooral bij nat en koud weer. De toppen worden dan hele-
maal bruin en zijn binnen de kortste keren niet meer te ge-
bruiken. Meestal valt de oogsttijd tussen augustus en begin
oktober.
Het oogsten geschied door eerste de mooie toppen uit de plan-
ten te knippen en deze op geur bij elkaar te leggen; elke geur
op een apart stapeltje. De stapeltjes worden ieder apart aan
een draad geregen en op een donkere droge plaats opgehangen.
Ook kunnen de toppen worden ingebonden (zie aldaar).
Van het restant van de planten die nog op het veld staan,
worden (als dat nog niet gebeurt is) de grote bladeren wegge-
plukt. Vervolgens worden de topjes afgerist en weer op geur
apart gelegd. Deze leggen we op een krant of droogrek te
drogen op een beschaduwde plaats.
Laat alle delen drogen tot rond de kerst, voor je ze gebruikt.
De planten zijn dan goed droog, de THC is uitgekristalliseerd
en de "groene" smaak is eraf.
2.1.6 Hennep in de moestuin
De hennepplant heeft meer goede eigenschappen dan alleen zijn
geestverruimende werking, vooral waar het de toepassing in de
moestuin betreft.
Ten eerste is het natuurlijk een prima windvanger en het
verdient dan ook aanbeveling de hennepplanten als zodanig toe
te passen. Zet ze een rij dik om je moestuin en zorg dat ze
dicht op elkaar staan. De mannetjes kun je er natuurlijk
uittrekken.
Hennep heeft een goede uitstraling op verschillende andere
gewassen. Aardappelen die langs een rij hennep staan krijgen
mindere snel last van de schimmelziekte Phytophtora, terwijl
de geur van de hennep die van aardappelen verdringt. Zodoende
zal je ook minder last krijgen van Coloradokevers.
Om die zelfde redenen is het ook goed om koolsoorten in de
buurt van hennep te telen: koolwitjes hebben dan meer moeite
om de koolplanten te vinden en de aantasting door rupsen zal
dus minder zijn.
Door hun snelle vegetatieve groei leveren hennepplanten ook
prima materiaal voor de komposthoop, die bovendien sneller
verteert (zelfde werking als b.v. brandnetels).
2.2 De potkultuur
Bij de potkultuur hebben de planten een wat langere ontwikke-
lingstijd als bij de vollegrondkultuur. In de regel wordt al
in de tweede helft van december gezaaid.
Potplanten worden meestal als maagdewiet gekweekt, daarbij
uitgaande van buitenlands zaaigoed. Het is mogelijk om zelf
zaad te kweken (wat betere resultaten voor volgende jaren
garandeert), maar pas daarbij alleen kunstmatige bestuiving
toe.
2.2.1 Zaaien
Het zaaien voor de potkultuur verschilt in grote mate van de
vollegrond kultuur en vindt binnenshuis plaats. Zorg dat alle
te gebruiken materialen op kamertemperatuur zijn. Zet de zaden
een nacht te weken in een bak met water. De kiemkrachtige
zaden zakken naar de bodem en de lege zaden blijven drijven.
De volgende morgen worden de kiemkrachtige zaden uitgespreid
op een vochtige doek, die regelmatig nat wordt gehouden.
Hierop zullen de zaden kiemen. De zaden die na 5 tot 7 dagen
nog niet ontkiemd zijn, worden verwijderd. De beste kiemtempe-
ratuur is rond de 20øC.
Zodra de zaden gekiemd zijn, worden ze een halve cm. diep in
met potgrond gevulde turfpotjes gedrukt, met de kiemwortel
naar beneden.
Zet de turfpotjes in een langwerpige kist onder een in hoogte
verstelbare planten-TL-lamp (even zelf in elkaar knutselen).
Tijdens de daarop volgen groeiperiode wordt de TL-lamp steeds
5 tot 10 cm. boven de top van de plantjes gehouden. Hierdoor
krijgen de jonge plantjes een korte, stevige stengel. Pas op
dat de grond in de potjes niet uitdroogt.
Laten we de planten_TL-lamp achterwege en plaatsen we een bak
voor het raam op de zuidzijde, dan zullen de planten lange,
slappe stengels ontwikkelen die snel omvallen.
2.2.2 Verzorging van de opgroeiende plant
Zodra de wortels van de jonge planten door de wanden van de
turfpotjes beginnen te groeien, worden deze met pot en al
overgeplant in ¬ l. potten. Plantjes die achterblijven in de
groei worden verwijderd. Het turfpotje zal in de loop van het
seizoen verteren, dus is het niet nodig deze te verwijderen.
De platen kunnen nu onder de Tl-lamp vandaan en worden voor
een raam op de zuidzijde geplaatst. Achter de planten zetten
we een spiegel neer, of een plank met daarop een laag gladge-
streken aluminium folie geplakt. Dit dient om het buitenlicht
naar de planten toe te reflekteren, zodat de planten niet
scheef gaan groeien en meer licht krijgen. Draai de planten
elke morgen een halve slag om zodat beide zijden van de plan-
ten direkt zonlicht krijgen.
Als de planten ongeveer 25 cm. hoog zijn, wordt de groeitop
eruit geknepen om de plant te laten vertakken. Op de plaats
waar we sterke zijtakken wensen worden de stengelbladeren
weggeknipt. Tegelijkertijd worden de platen verpoot naar 5 l.
potten. In de komende tijd zullen de planten 4 tot 6 krachtig
stengels ontwikkelen. Als het weer het toelaat kunnen de
planten naar buiten, maar haal ze voorlopig 's nachts nog naar
binnen.
In april of mei worden de planten nogmaals verpoot, nu in
potten of bakken van 25 liter, die tenminste 35 cm. diep
moeten zijn. Zorg dat de wortels voldoende lucht kunnen krij-
gen. Voeg aan de potgrond wat scherp zand, kalk en (indien
voorradig) hennepkompost toe. Tegelijk met het verpotten
worden de stengels met de helft teruggesnoeid. Let op de
richting van de stengelbladeren waarboven gesnoeid wordt: deze
geven de richting van de toekomstige zijtakken aan. De plant
vormt vervolgens lang, rechte, weinig vertakte zijstengels,
die ‚‚n tot twee maanden later beginnen te bloeien.
Zorg er tijdens deze ontwikkeling voor, dat er voldoende
zonlicht in de planten kan doordringen. Knip daarom alle grote
stengelbladeren weg, evenals slecht geplaatste zijstengels.
Wanneer het geslacht duidelijk is, worden alle mannelijke
planten verwijderd. Zet eventueel de best ontwikkelde manne-
tjes apart om stuifmeel te winnen voor de kunstmatige bestui-
ving.
Laat de planten zoveel mogelijk buiten staan, maar haal ze
naar binnen zodra het begint te regenen. Na half mei kunnen ze
's nachts ook buiten blijven staan.
Wanneer de planten beginnen te bloeien, verminderen we gelei-
delijk aan de hoeveelheid water die de planten krijgen, om tot
een goede THC-vorming te komen. Zorg dat de planten zelf
zoveel mogelijk droog blijven.
2.2.3 Vervroegen van de bloei
Voor het verkrijgen van een goede oogst is het van belang dat
de planten reeds half juli bloeiaartjes (en dus THC) beginnen
te vormen. Vaak komt de vorming van aartjes pas half augustus
op gang, zodat de THC-produktie grotendeels afhankelijk is van
een goede nazomer.
We kunnen de planten vervroegd in bloei trekken, door ze een
gedeelte van de dag (b.v voor 10 uur en na 6 uur) in het
donker te plaatsen. Wanneer de hoeveelheid licht namelijk
verminderd wordt tot 8 uur of minder per dag gaan de planten
automatisch bloeien en kunnen we de bloeitijd zodoende aan-
zienlijk verlengen. Wanneer de aarvorming goed op gang is
gekomen, kunnen de planten weer de hele dag genieten van de
zon.
2.2.4 Ongedierte
Hoewel de plant weinig last heeft van ongedierte, kan spint
soms lastig zijn. Spint komt alleen voor op droge planten en
is te herkennen aan kleine rode spinnentjes ter grote van een
speldeknop, die webjes maken in de bladoksels.
Wanneer we spint konstateren, verstuiven we wat water over de
planten, waarin derrispoeder of pyrethrine opgelost is. Ver-
geet de onderkant van de bladeren niet. De twee genoemde
middelen zijn zuiver plantaardig van oorsprong. Ze zijn dode-
lijk giftig voor koudbloedige dieren, maar voor warmbloedige
dieren zijn ze volkomen ongevaarlijk. De beide stoffen zijn na
ñ twee weken langs natuurlijke weg weer afgebroken. Ze vormen
dus geen bedreiging voor het milieu.
2.2.5 Oogst
Wanneer de bloemen rood of goud gaan kleuren, is het tijd voor
de oogst, meestal in september of oktober. Potplanten worden
in hun geheel geoogst en met hun voetjes aan het plafond
gehangen of direkt verwerkt. Volkomen zaadloze planten kunnen
we echter nog op een heel andere manier oogsten.
2.2.6 Meerjarige planten (wietbomen)
Door een juiste manier van oogsten en overhouden in de winter,
kunnen we de stam van de maagdewiet in leven houden en tot een
wietboom maken in volgende jaren. Heel belangrijk hierbij is
dat er totaal geen zaadzetting mag hebben plaatsgevonden. Door
zaadzetting komt er namelijk een hormoon vrij dat de plant
doet afsterven.
Het begin van het opkweken van een wietboom ligt bij de oogst
van het eerste seizoen. Niet de hele wietplant wordt geoogst;
we knippen slechts de stengels af, die zijn ontstaan vanuit de
snoeipunten van de laatste keer verpotten. Laat echter ‚‚n of
twee bladoksels zitten, hieruit groeien de nieuwe zijstengels.
Verplant de stam in nieuwe grond en snoei tegelijkertijd ook
een deel van de wortel weg. Gedurende de winter wordt de plant
overgehouden op een lichte, koele, maar vorstvrije plaats.
Vanuit de snoeipunten zullen zich nieuwe stengels ontwikkelen,
die, net als bij kiemplantjes, beginnen met ‚‚n paar ongedeel-
de blaadjes.
De stengels die in het voorjaar (april-mei) zijn ontstaan,
worden weer met de helft teruggesnoeid. De verdere kultuur
verloopt als in het voorgaande jaar. Pas op dat de plant niet
bestoven wordt, want dan sterf zij onherroepelijk af.
2.3 Bijzondere teeltmaatregelen
2.3.1 Maagdewiet
De onbevruchte vrouwelijke planten hebben verreweg het hoogste
THC-gehalte. Alle energie is gericht op het vormen van bloemen
en de bescherming daarvan. Er is geen zaad dat de energie kan
wegtrekken.
Het kweken van maagdewiet kan toegepast worden op zowel de
vollegrondkultuur als de potkultuur en gaat in grote lijnen
zoals daar al beschreven is. Alle mannelijke planten worden
vroegtijdig verwijderd of van zakjes voorzien voor kunstmatige
bestuiving. Belangrijk is dat er geen stuifmeel in de lucht
komt, omdat dit bestuiving tot het gevolg heeft. E‚n mannelij-
ke plant die zijn stuifmeel kan lozen verpest een heel veld
maagdewiet.
De maagdewiet is ideaal om de twee volgende technieken op toe
te passen: het klieven van de stengel en kunstmatige transpi-
ratie.
2.3.2 Klieven
Wanneer de vrouwelijke bloemtoppen goed ontwikkeld zijn,
passen we een kunstgreep toe om de planten tot een hogere THC-
produktie aan te zetten. Dit is het zogenaamde klieven. Het
kan ook toegepast worden op planten met zaad; het juiste
moment is dan wanneer de eerste zaden volledig rijp zijn. Het
klieven is afkomstig uit Zuidoost Azi‰ en gaat als volgt in
zijn werk.
Op 20 tot 25 cm. van de grond binden we de onder de onderste
zijtakken een stuk touw vrij stevig om de stengel. Vervolgens
drukken we een scherp mes in de vezelrichting dwars door de
stengel heen, juist onder het touw. We drukken dit mes naar
beneden tot ca. 5 cm van de grond. Trek het mes er nog niet
uit. De stengel is nu over een lengte van 15 tot 20 cm. door-
midden gesneden.
Door deze snede drukken we vervolgens een stokje dat de dikte
heeft van een potlood. Dit gaat het beste door het mes terug
te drukken tot iets boven het midden en het mes vervolgens 90ø
te kantelen. De beide helften wijken dan enigszins uiteen,
zodat we het stokje er in het midden gemakkelijk door kunnen
steken. Breng het mes terug in rechte positie en trek het
eruit. Het stokje moet voorkomen dat beide stengeldelen weer
tegen elkaar trekken. Het touwtje boven de snede dient om
verder inscheuren van de stengel te voorkomen.
Deze ingreep heeft tot gevolg dat de opwaartse sapstroom van
de plant gestoord wordt. Dit dood de plant niet; wel worden er
daardoor minder voedingsstoffen en water naar de toppen ver-
voerd. Als gevolg daarvan stopt de vegetatieve groei. In
plaats daarvan gaan de kliertjes extra THC afscheiden om de nu
sterkere uitdroging te voorkomen.
2.3.3 Kunstmatige transpiratie
Een andere manier om voor een extra hoge THC-produktie te
zorgen (en bovendien bestuiving te voorkomen) is kunstmatige
transpiratie.
Als de bloemaartjes 1« tot 2 cm. lang zijn, worden om de
toppen ca. 30 cm. lange, lichtdichte, zwarte zakken geschoven.
Deze kunnen zelf gemaakt worden van een stuk landbouwplastic.
De zakken zorgen tijdens warme dagen voor een broeikas effekt.
Dit heeft als gevolg dat de THC vloeibaar wordt en vanuit de
kliertjes langs de kleine blaadjes wegloopt. De kliertjes gaan
daardoor transpireren en zullen aan ‚‚n stuk door THC blijven
produceren. De zakken worden van onderen niet dichtgebonden,
maar gewoon los gelaten voor de ventilatie. De lucht binnenin
de zakken wordt namelijk vochtig door verdamping die plaats
vindt vanuit de toppen. Wordt dit vocht niet afgevoerd dan
zullen de toppen gaan verschimmelen en afsterven. Het is ook
verstandig om van tijd tot tijd de zakken tijdelijk te verwij-
deren om de toppen te laten aandrogen. Draai de zakken dan ook
even binnenstebuiten, zodat die van binnen ook goed droog
worden.
Tegen de oogsttijd (ongeveer een maand later) worden de zakken
verwijderd. De toppen hebben dan een goudgele kleur gekregen
van de overvloedige THC-produktie. Kunstmatige transpiratie is
heel goed te kombineren met het klieven.
2.3.4 Reuzengroei m.b.v. colchicine
Evenals bij andere plantensoorten is het bij hennep mogelijk
om reuzengroei te laten plaatsvinden door genetische manipula-
tie met behulp van colchicine. Colchicine is een plantaardig
gif dat gewonnen wordt uit de bollen van de herfsttijloos
(colchicum autumnale) en dat inwerkt op de celdeling. Om de
werking uit te leggen moet er even een stukje biologie aan te
pas komen.
Voor een cel zich gaat delen vindt er eerst een kerndeling in
de cel plaats. De chromosomen (dat zijn de dragers van de
erfelijke eigenschappen) in de kern gaan zich daartoe op een
bepaalde manier rangschikken in het kernvlak. Deze chromosomen
komen altijd voor in paren, zodat het aantal chromosomen in
een cel gesteld kan worden op 2n. Bij de kerndeling gaan de
paren precies tegenover elkaar liggen in het kernvlak, waarna
elk chromosoom zichzelf kopieert. Het aantal chromosomen is op
dat moment 4n. Tegelijkertijd ontwikkelen zich aan de chromo-
somen draden die verbonden zijn met een pool aan elke zijde
van de cel. Wanneer de chromosomen zichzelf gekopieerd hebben,
worden ze door de draden uit elkaar getrokken in de richting
van de beide polen, zodat er zich dan twee kernen met elk 2n
chromosomen in de cel bevinden. Vervolgens wordt er in het
midden van de cel een celwand gevormd, zodat er dan twee
afzonderlijke cellen met elk een kern van 2n chromosomen zijn
ontstaan. Colchicine grijpt op dit mechanisme in door de
draden af te breken die de chromosomen met de polen verbinden.
Daardoor vind er wel een chromosoom verdubbeling plaats, maar
de cel deelt zich verder niet. Het aantal chromosomen komt
daarmee op 4n.
Nu is dit zo'n ingrijpende reorganisatie in de cel, dat plan-
ten en dieren er meteen kapot aan gaan, wanneer ze colchicine
binnen krijgen. Alleen plante-zaden kunnen dit overleven,
wanneer colchicine slechts tijdens de eerste celdeling van de
kiem inwerkt en daarna wordt uitgespoeld. Na de eerste onvol-
ledige deling is het aantal chromosomen in de kiem dus 4n
geworden. Daarna vinden er normale delingen plaats, waarbij
het aantal chromosomen dus telkens 4n blijft. Dit uit zich in
de plant doordat er dan reuzengroei op gaat treden: bladeren,
stengels en zaden worden dubbel zo groot en de plant wordt ook
dubbel zo hoog. De zaden die zo'n plant oplevert bevatten
normaal ook weer 4n chromosomen, wanneer ze tenminste bestoven
worden door mannetjes die ook 4n chromosomen bevatten. Worden
ze bestoven door mannetjes met het normale aantal chromosomen,
dan vindt er een terugval plaats. De zaden bevatten dan
slechts 3n chromosomen. Worden de plantjes uit die zaden het
volgende jaar weer bestoven met door mannetjes met 2n chromo-
somen, dan zal het overgrote deel van de nakomelingen weer
normaal 2n chromosomen hebben. De werking van de colchicine
wordt daardoor teniet gedaan.
Aan de andere kant is het ook mogelijk om de zaden van de
planten met 4n chromosomen nogmaals te behandelen met colchi-
cine. Er treedt dan weer een chromosoomsverdubbeling op,
waardoor de reuzengroei nog sterker wordt. Het aantal chromo-
somen wordt dan 8n.
Dit klinkt allemaal wel leuk, die reuzengroei, maar in de
praktijk heb je er weinig aan, De planten worden enorm hoog en
zijn moeilijk te behandelen, Bovendien blijven er resten
colchicine in de planten achter die de plant zelf geen kwaad
doen, maar de eventuele gebruiker van die plant om zeep kan
helpen. Het moet dan ook aangeraden worden de met colchicine
gemanipuleerde hennep niet eerder te gebruiken dan drie gene-
raties na de behandeling met colchicine. Er bevind zich dan
geen colchicine meer in de planten. De eerste drie jaren moet
je dus alleen zaad telen en de wiet zelf kun je maar het beste
tegelijk in de fik steken, zodat er geen vergissingen mee
plaats vinden.
Al met al moet ik het manipuleren met colchicine afraden,
omdat er grote risico's aan verbonden zijn voor ons eenvoudige
leken. Voor de volledigheid heb ik de beschrijving toch opge-
nomen en tevens als waarschuwing, omdat er in den lande plaat-
selijk wel mee ge‰xperimenteerd wordt.
De werking van colchicine is overigens al duizenden jaren bij
de mensheid bekend. Al zo'n 6000 jaar geleden werden in Klein
Azi‰ graszaden behandelt met colchicine, waardoor nieuwe
granen als tarwe ontstonden. Tarwe heeft zelfs 6n chromosomen,
vandaar ook die dikke zaden in vergelijking met andere gras-
soorten. Tegenwoordig wordt colchicine vaak toegepast bij het
kweken van sierbloemen. Op die manier zijn er bijvoorbeeld ook
de grootbloemige viooltjes, asters en petunia's ontstaan.
2.4 Kunstmatige bestuiving
Wanneer we de planten rustig hun gang laten gaan en elkaar
langs de natuurlijke weg laten bestuiven, zullen alle vrouwe-
lijke planten zaad zetten; ook die planten waarvan we eigen-
lijk geen zaad hoeven te hebben voor het volgende jaar. Wan-
neer we daarnaast verschillende rassen Nederwiet kweken,
hebben we geen oog meer op welke mannelijke planten nu welke
vrouwelijke planten bestuiven. De rassen zullen zich met
elkaar vermengen, waardoor alleen dominante eigenschappen
behouden blijven. Recessieve eigenschappen (die vaak goede
eigenschappen zijn) zullen in de loop der jaren verdwijnen.
Om al deze problemen te ondervangen kunnen we kunstmatige
bestuiving toepassen.
We vangen het stuifmeel van de mannelijke planten op, dat we
vervolgens op de stampers van de vrouwelijke planten aanbren-
gen, waarna de bestuiving heeft plaatsgevonden. Dit is in het
kort de weg die we moeten bewandelen.
2.4.1 Stuifmeel winnen
Wanneer de mannelijke planten hun eerste echte bloempluimen
gaan vormen (dit is dus niet het moment dat de eerste bloem-
pjes in de bladoksels van de hoofdstengel verschijnen, maar
later), is het tijd om het stuifmeel op te vangen. Dit gaat
als volgt in zijn werk.
Aan het begin van een periode van mooi weer worden de bloem-
pluimen in papieren zakjes (b.v. loonzakjes) verpakt. Knip de
gomstrook in het midden in, schuif het zakje om de pluim en
plak de nu twee losse gomstroken dicht, zodat de stengel door
het ingeknipte midden van de gomstrook gaat. Vijf zakjes per
plant is wel voldoende om genoeg stuifmeel te krijgen voor de
bestuiving. Alle overige bloempluimen worden weggeknipt.
Noteer van te voren de eigenschappen van de vaderplant op de
zakjes, zodat deze later niet verwisseld kunnen worden.
Laat de van zakjes voorziene planten nog een dag of vier op
het veld staan en trek ze dan uit en hang ze twee tot drie
weken te drogen. De zakjes blijven steeds om de bloempluimen
zitten. Wanneer er vroegtijdig een regenbui op komst is,
moeten de planten binnen gehaald worden, anders zullen de
zakjes verwateren en de inhoud wordt dan onbruikbaar.
Om te drogen en na te rijpen hangen we de planten met hun
voetjes aan het plafond. Na 2 tot 3 weken schudden we de
planten nog eens goed dooreen en halen de zakjes voorzichtig
van de bloempluimen, zodat er geen stuifmeel verloren gaat.
Stop het stuifmeel van elke plan in een apart potje en schrijf
ook hier de gegevens van de plant op. Het stuifmeel kan in
deze potjes bewaard worden tot het moment van bestuiven daar
is.
2.4.2 De bestuiving
Voor we gaan beginnen zoeken we eerst de planten uit die we
willen bestuiven. Op de vrouwelijke planten zoeken we bloem-
aartjes uit aan de zonzijde, onderin de plant. Het is zonde om
daar hoofd en zijstengels voor te gebruiken, omdat dan de
kwaliteit van de beste delen van de plant verloren gaat vanwe-
ge de zaadvorming. De aartjes onderin de plant hebben dezelfde
erfelijke eigenschappen als de aartjes in de toppen, dus
kunnen we net zo goed die delen van de plant gebruiken die
toch niet te roken zijn.
Voor de eigenlijke bestuiving hebben we alleen een dus pen-
seeltje en een dosis precisie nodig. Op een zonnige en wind-
stille morgen gaan we aan het werk.
We nemen met het penseeltje een beetje stuifmeel op uit het
potje en strijken dit voorzichtig over de stampertjes van de
vrouwelijke bloempjes. De bestuiving is hiermee volbracht. Pas
op dat je niet teveel stuifmeel gebruikt en ook niet morst,
anders vindt er ongewenst bestuiving plaats op andere delen
van de plant.
Hang aan de tak die we bestoven hebben een labeltje met de
eigenschappen van de mannelijke plant. Op deze manier kunnen
we verschillende rassen bestuiven op een en dezelfde vrouwe-
lijke plant. Kies voor elke mannelijke plant echter wel een
andere tak op de vrouwelijke plant en vergeet de labeltjes
niet.
2.4.3 Oogsten van het zaad
De bestoven planten moeten geoogst worden wanneer de zaadjes
zijn afgerijpt, maar de zaadhoesjes nog niet verdroogd zijn.
Knip allereerst de onbevruchte toppen uit de plant om die
afzonderlijk te drogen. Knip de stengel af juist boven de
bovenste bevruchte aartjes. Om de bevruchte aartjes, die nu
bovenaan zitten, schuiven we weer een loonzakje, op dezelfde
manier als we eerst gedaan hebben bij de stuifmeelwinning. De
zakjes zijn echter van te voren met een naald doorzeefd, om
het vocht te kunnen laten ontsnappen tijdens het drogen, maar
niet de zaadjes. Op de zakjes staan de gegevens van de Manne-
lijke en de vrouwelijke plant aangegeven.
Wanneer we alle bestoven delen op deze manier van zakjes
hebben voorzien, trekken we de moederplanten uit en hangen ze
omgekeerd te drogen tot het voorjaar, op een donkere plaats.
De eerder afgeknipte toppen hangen we afzonderlijk te drogen,
of binden ze in (zie verwerking).
In het volgende voorjaar, als de planten volkomen droog en
afgerijpt zijn, tikken we de bevruchte aren goed uit, zodat
alle zaden in het zakje vallen. Vervolgens halen we de zakjes
van de planten en stoppen de zaden met dezelfde erfelijke
eigenschappen bij elkaar in een ander zakje. Vergeet niet de
eigenschappen van de vader- en moederplant te noteren.
Laat de zaden niet te veel door de handen gaan. De zaden zijn
namelijk omgeven door en dun harslaagje, dat de zaden tegen
uitdroging beschermt. Transpiratievocht van de hand doet dit
laagje oplossen, waardoor de kiem en de zaadlob door uitdro-
ging gaan verschrompelen. De zaden hebben dan geen kiemkracht
meer.
2.4.4 Volgende jaren
Bewaar de zaden op een donkere, koele plaats tot het weer
zaaitijd is. Zaai de verschillende kruisingen op een afgeba-
kend stukje grond en vergeet niet de eigenschappen van de
ouderplanten te noteren bij het desbetreffende bedje. Erfelij-
ke eigenschappen komen zo duidelijk naar voren en ook het feit
of ze recenssief of dominant zijn.
In de daarop volgende jaren gaan we op dezelfde manier door
met kruisen. Nakomelingen met slechte eigenschappen komen niet
meer voor zaadproduktie in aanmerking. Bij juiste doorkruising
in de loop der jaren, zullen we een ras verkrijgen dat alleen
de beste eigenschappen heeft.
2.5 Afval als voeding
Alle afval van de hennepplant kan op eenvoudige wijze worden
omgezet in voeding voor een volgende generatie hennepplanten.
Alle afval wordt domweg op een hoop gezet en de natuur doet de
rest. We moeten alleen even uitkijken waar en hoe we de hoop
opzetten
De hoop wordt opgezet op een door bomen of struiken beschaduw-
de plaats, bij voorkeur onder vlierstruiken. De vlier scheid
namelijk een stof af die zeer stimulerend werkt op de verte-
ring in de hoop.
Op de grond waar de hoop komt te staan wordt eerst een rooster
uitgelegd van takken die kruislings over elkaar komen te
liggen. De breedte moet ongeveer 1« meter bedragen. De lengte
is onbepaald. Op deze takken komt een laagje stro, zodat het
afval niet naar beneden kan vallen. Dit rooster dient om het
overtollige water snel af te voeren en de hoop van onderen te
beluchten. Op het rooster komt fijngemaakt afval te liggen,
telkens in lagen van ca. 20 cm. dik met daartussen een laag
dolomietkalk (een niet-agressief natuurprodukt). De kalk dient
om vrijgekomen humuszuren te binden.
Bouw de hoop in een keer op tot een hoogte van 1 a 1« meter en
dek hem af met een laagje stro dat zo dik moet zijn dat het
onderliggende afval niet meer is te zien.
Giet vervolgens een emmer slootwater over de hoop om het
materiaal te bevochtigen en te injekteren met bacteri‰n.
Binnen een week zal de hoop gaan broeien, waarbij de tempera-
tuur oploopt tot ca. 60øC. De vertering is daarmee op gang
gekomen. Wanneer de hoop is afgekoeld, wordt deze opnieuw
opgezet, waarbij de buitenkant van de oorspronkelijke hoop
binnenin komt te liggen. De kompost kan nu de winter over
rijpen, tot het moment van toediening daar gekomen is.
Gebruik de kompost in het grondmengsel voor de potkultuur
planten of strooi een dun laagje over het pas gezaaide veldje
vollegrond planten.
Omdat de kompost van hennepplanten is gemaakt, bevat het alle
stoffen die de hennepplant nodig heeft voor een goede ontwik-
keling. Het is derhalve de ideale voeding voor de plant.
Ik dacht ik vereeuwig het maar even op deze site..
Echt alles over het kweken van wiet staat erin beschreven. Erg leerzaam.
Ook het maken van hasj etc staat erin beschreven!
From: sturm@waffe.nl (STuRM)
Newsgroups: alt.drugs.pot,alt.drugs.pot.cultivation
Subject: Nederwiet - how to grow weed at home - nederwie.txt [1/1]
Date: 8 Nov 1995 12:45:41 GMT
Message-ID: <47q8pl$d9q@mo6.rc.tudelft.nl>
Dit dokument is oorspronkelijk een boekje. Omdat er maar
weinig van in omloop zijn, heb ik de hele boel maar overge-
schreven en op een berg BBS-en gegooid. Het behandelt zo'n
beetje alles wat je over de bereiding van wiet kunt vertellen.
Hoewel het boekje al zo'n tien jaar oud is, is er niet zo gek
veel veranderd. Alleen met betrekking tot de juridische zaken
is er wel het een en ander veranderd. Wat hierover in deze doc
staat, moet je je dus niet zoveel van aantrekken.
Ik kan alleen nog zeggen: lees het eens door en ga aan de
slag. Voor vragen, opmerkingen (niet over deze doc, ik heb het
niet geschreven), interessante lektuur, enz. over hennep,
neder-wiet en cannabis ben ik te bereiken onder:
arno.van.manen@ensing.idn.nl
Nederwiet, Maak er wat van!
************************************************** ************
Inleiding
Het verbouwen van wiet en het verder verwerken daarvan, is
iets dat de laatste tijd meer en meer in zwang komt. Niet
alleen de steeds hoger wordende prijs van de buitenlandse
hennepprodukten is daarvan de oorzaak - ook nieuwsgierigheid
naar het zelf vervaardigen van deze produkten speelt een
belangrijke rol.
Denk nou niet bij het horen van de naam Nederwiet: "O, dat zal
wel weer rotzooi zijn"; met een beetje aandacht en een naar
verhouding tot de normale uitgaven aan hennepprodukten vrij
lage investering in hulpmiddelen en apparatuur, is er een
produkt te maken dat de kwaliteit van de buitenlandse produk-
ten zeer dicht benadert en dat zichzelf in korte tijd weer
terug verdient.
Dit dokument kan een leidraad zijn voor al diegenen die nu een
aan de slag willen. Het beschrijft hoe het kweken van de
planten tot een goed einde gebracht wordt en geeft een aantal
gevarieerde verwerkingsmogelijkheden van de wiet met als
hoogtepunt eigen gemaakte blanke olie.
In deze tweede druk zijn een flink aantal aanvullingen en
wijzigingen aangebracht, met name wat betreft de vollegrond
kultuur en het bereiden van hasjiesj. Verder is er een apart
hoofdstukje gewijd aan de juridische aspekten omdat er de
laatste jaren nogal wat gewijzigd is in het beleid t.a.v.
nederwiet.
Nederwiet, maak er wat van!
************************************************** ************
Inhoud
1 Iets over de hennepplant
1.1 Twee ondersoorten
1.2 Verschillende rassen
1.3 Werkzame stoffen
1.4 Verschillende THC soorten
1.5 Mannelijk en vrouwelijk tegelijk
2 Het verbouwen van de wiet
2.1 De vollegrond kultuur
2.1.1 De grond
2.1.2 Zaaien
2.1.3 Selekteren
2.1.4 Verdere verzorging
2.1.5 Oogst
2.1.6 Hennep in de moestuin
2.2 De potkultuur
2.2.1 Zaaien
2.2.2 Verzorging van de opgroeiende plant
2.2.3 Vervroegen van de bloei
2.2.4 Ongedierte
2.2.5 Oogst
2.2.6 Meerjarige planten (wietbomen)
2..3 Bijzondere teeltmaatregelen
2.3.1 Maagdewiet
2.3.2 Klieven
2.3.3 Kunstmatige transpiratie
2.3.4 Reuzengroei m.b.v colchicine
2.4 Kunstmatige bestuiving
2.4.1 Stuifmeel winnen
2.4.2 De bestuiving
2.4.3 Oogsten van het zaad
2.4.4 Volgende jaren
2.5 Afval als voeding
3 Verwerken
3.1 Eenvoudige verwerking van de wiet
3.1.1 Inbinden toppen
3.1.2 Inbinden restanten
3.1.3 Inbinden potkultuur oogst
3.1.4 Wiet als borrel
3.1.5 Wietcake
3.1.6 Wietthee
3.2 Hasjiesj maken
3.2.1 Zeven en persen
3.2.2 Afrollen
3.2.3 Begraven
3.3 Olie maken
3.3.1 Principe van het olie maken
3.3.2 Enkele opmerkingen vooraf
3.3.3 De terugvloeitoren
3.3.4 Indikken van de tinktuur
3.3.5 De overloop toren
3.3.6 Zuiver THC (blanke olie)
3..3.7 Terugwinnen van de alkohol
3.3.8 Methanol en ethanol
4 Juridische aspekten
4.1 Wiet als windkering
4.2 Zaad winning
4.3 Verwerkte produkten
************************************************** ************
1 Iets over de hennepplant
Hennep is een tweehuizige plant. Dat wil zeggen de er manne-
lijke en vrouwelijke planten zijn.
De mannelijke planten vormen de stuifmeelbloemen, kleine gele
bellen die in losse ijle pluimen staan.
De vrouwelijke bloemen produceren het zaad. De stamperbloemen
staan in dichte, aarvormige bloeiwijze, dicht tegen de stengel
aan. De aartjes zijn bedekt met duizenden kleine haarvormige
kliertjes, die een olieachtige substantie bevatten. Het is
deze vrouwelijke plant die ons het meest interesseert: de
kliertjes bevatten de stof die het 'high' gevoel maakt: Tetra-
Hydro-Cannabinol (THC).
1.1 Twee ondersoorten.
De cannabis sativa, zoals de plant op z'n Latijn heet, kent
twee ondersoorten. De eerste ondersoort, de Cannabis Sativa
Hollandica wordt al eeuwenlang in ons landje verbouwd, iets
war de naam al doet vermoeden. Deze ondersoort is vooral van
belang voor de touwslagerijen. De vezels van de mannelijke
plant worden door een bacteriekweek losgeweekt van de stengel.
Dit is zogenaamde roten. De vezels worden daarna gebleekt en
verder verwerkt. De vrouwelijke plant is wat dat betreft
waardeloos, zij dient alleen voor de zaadproduktie. Door
eeuwenlange selektie is deze ondersoort uitgekweekt op de
vorming van zo lang mogelijke vezels. De planten zijn dan ook
herkenbaar aan de lange, rechte, toto drie meter hoge stam met
alleen helemaal bovenin enkele vertakkingen. De oliekliertjes
van de vrouwelijke plant zijn in de loop der eeuwen gedegene-
reerd.
De andere ondersoort is de Cannabis Sativa Indica. Deze is
gekweekt om de geestverruimende werking van de vrouwelijke
bloemtoppen. Die toppen barsten dan ook van de oliekliertjes.
De planten zijn over het algemeen wijd vertakt en dus ook veel
breder dan de andere ondersoort. De mannelijke planten zijn
vrijwel waardeloos bij de Cannabis Sativa Indica, omdat er een
reusachtige hoeveelheid planten nodig is om een klein beetje
hasjiesj te maken. Ook de lengte van de vezels is van dien
aard dat het niet loont om deze te winnen.
De Cannabis Sativa Indica vormt de basis van de Nederwiet. De
"echte" Nederwiet is afkomstig van (sub)tropisch zaad, dat al
tenminste zeven generaties in Nederland is doorgekweekt.
1.2 Verschillende rassen
De Cannabis Sativa Indica kent verschillende rassen met elk
hun eigen, specifieke eigenschappen. Zo zijn er vroeg- en
laatbloeiende rassen, rassen met dikke, volle toppen of met
slanke, luchtige toppen, wijdvertakte rassen met vele toppen
of rassen die maar weinig vertakt zijn, met ‚‚n grote hoofd-
top. Al deze eigenschappen zij erfelijk. Veelal heeft elk land
zijn eigen ras, dat optimaal aan het heersende klimaat is
aangepast. 7-jarige Nederwiet begint ook al duidelijke eigen-
schappen te krijgen van een apart Nederlands ras.
1.3 Werkzame stoffen
De belangrijkste werkzame stof hebben we al genoemd, de Tetra-
Hydro_cannabinol. Deze stof komt alleen voor in de kliertjes
van de vrouwelijke planten.
THC behoort tot de groep van etherische oli‰n en is afgeleid
van Cannabidiol (CBD), dat in de binnenste delen van de blade-
ren in ruime hoeveelheden voorkomt. Deze CBD wordt onder
invloed van warmte en uitdroging in de kliertjes omgezet naar
THC.
Die CBD wordt in de bladeren weer gevormd uit Cannabinol
(CBN), een stof die vooral in de opwaartse sapstromen voor-
komt.
CBD en CBN hebben nauwelijks een geestverruimende werking en
ze zorgen alleen voor een zwaar, drukken gevoel in het hoofd
en kunnen hoofdpijn veroorzaken.
In sommige literatuur wordt ook nog een alkaloide als werkzame
stof genoemd. Het zou hierbij gaan om muscarine, een stof die
nauw verwant is met het werkzame gif van de vliegenzwam. Deze
stof zou alleen in de vrouwelijke bloemen voorkomen en het
high-effekt van de wiet veroorzaken. Bij het bereiden van
hasjiesj blijft deze stof in de restanten van de plant achter.
Vandaar het verschil in de uitwerking tussen wiet en hasjiesj.
De werkzame stof, de THC, bevind zich dus aan de buitenkant
van de toppen, in de kliertjes. Dit punt moeten we goed in de
gaten houden bij de latere verwerking van de wiet.
Het hoogste gehalte aan THC hebben de zaadloze vrouwelijke
planten: de maagdewiet of sinsemilla (spaans voor "zonder
zaad"). Wanneer eenmaal de bestuiving heeft plaatsgevonden,
richt de plant haar krachten op de zaadvorming. De THC-produk-
tie komt dan op de tweede plaats.
1.4 Verschillende THC-soorten.
Nu is het echter niet zo dat de geestverruimende werking van
elke plat hetzelfde is. De werkzame stof, de THC, bestaat
namelijk in verschillende vormen, met een mooi woord "isome-
ren" genoemd. Deze stoffen, zo'n tien in totaal, voldoen aan
de totaalformule Tetra-Hydro-Cannabinol, ze verschillen onder-
ling echter in hun chemisch struktuur en werkzaamheid. Van
sommige THC-soorten wordt je totaal niet anders, van andere
vormen is een klein beetje al voldoende.
De verschillende THC-soorten worden aangeduid met Delta (voor
het gemak even met "D" aangeduid), gevolgd door een nummer
(b.v D6 THC of D9 THC). Nu is het voor ons natuurlijk ondoen-
lijk om precies uit te zoeken wat voor D-THC onze planten
bevatten, maar dat is ook niet zo belangrijk. De verschillende
vormen van THC zijn op geur namelijk goed van elkaar te onder-
scheiden. Nu is het natuurlijk onmogelijk om geuren op papier
met elkaar te delen, dus het komt op ervaring aan als je de
goede planten met je neus van slechtere planten wilt onder-
scheiden. Maar dat leer je vanzelf, als je langer met de
planten omgaat. En dan zal je zien dat de op het oog lekkerste
geur niet op de meest aktieve THC-vorm hoeft te wijzen.
1.5 Mannelijk en Vrouwelijk tegelijk
Het komt nogal eens voor dat een plat hermaphrodiet is: d.w.z
dat er zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen aan dezelfde
plant zitten.
Wanneer vrouwelijke planten niet bestoven worden (bijv. bij
het kweken van maagdewiet), kunnen zij de eigenschap hebben om
zelf mannelijke bloemen te vormen. De onbevruchte plant vormt
dan alsnog zaad door middel van zelfbestuiving. Dit verschijn-
sel is op zich geen zeldzaamheid, hoewel het ook niet echt
regelmatig voorkomt.
Hermaphrodiete planten zijn er in verschillende verschijnings
vormen. Het meest gebruikelijke is, dat in de ver ontwikkelde,
maar onbestoven vrouwelijke bloemtoppen op het eind van de
aartjes enkele mannelijke bloemetjes worden gevormd. Deze
vallen haast niet op en je ziet ze zo over het hoofd.
Wat minder vaak komt het voor dat vanuit de bladoksels opeens
komplete mannelijke bloemschermen worden gevormd aan langge-
rekte takjes. Deze vallen wel erg op en het is ook een heel
fraai gezicht.
E‚n geval van hermaphrodiete plant wil ik hier niet onvermeld
laten. Aan het begin van de bloeitijd trapte ik per ongeluk op
een vrouwelijke plant, waardoor deze bij de grond afknakte.
Uit stomp die over bleef liepen twee nieuwe stengel uit,
waarvan de een mannelijk en de ander vrouwelijk was. Vanuit
‚‚n stam had ik een mannetje en een vrouwtje naast elkaar
staan, beide niet hoger dan ca. 40 cm. Opvallend was, dat de
vrouwelijke plant alleen onvruchtbaar zaad gaf, maar wel zeer
rijk was aan THC-kliertjes.
Wanneer we ontdekken dat een van onze planten hermaphrodiet
is, kunnen we deze maar het beste gelijk verwijderen, omdat
hij/zij ook andere planten kan bestuiven. Hooguit kunnen we de
plant gescheiden van de andere planten zetten bij wijze van
curiositeit.
Het omgekeerde, dat mannelijke planten vrouwelijke bloemen
vormen, komt nooit voor.
************************************************** ************
2 Het verbouwen van de wiet
Voor het verbouwen van de wiet zijn er in principe twee manie-
ren: de potkultuur en de vollegrondkultuur. Elk hebben ze hun
eigen voor- en nadelen.
Bij de potkultuur kunnen we een kunstmatig klimaat rond de
planten aanleggen, waardoor de planten gemakkelijk aangezet
worden tot een hoge THC-produktie. De opbrengst is echter vrij
gering.
Bij een vollegrondkultuur staan de planten bloot aan alle
grillen van ons klimaat. De opbrengst is een stuk hoger, maar
de kwaliteit is in eerste instantie een stuk lager. Bij selek-
tieve doorkweking krijgen we echter een ras, dat volledig is
aangepast aan ons klimaat en dat ook tot een hoge THC-produk-
tie komt. Dat is de echte Nederwiet. Het duurt ongeveer zeven
generaties voordat de planten van buitenlands zaad zijn aange-
past. De Nederwiet krijgt dan ook de eigenschap om te gaan
verwilderen.
Voor de potkultuur kunnen we in de regel uitgaan van eerste-
klas buitenlands zaad, hoewel meerjarig zaad ook hier betere
resultaten geeft. Dit moet dan wel zaad zijn van planten die
ook al in een pot of bak werden verbouwd.
Op de verschillende manieren van verbouwen kunnen we enkele
bijzondere kultuurmaatregelen toepassen om de THC-produktie
kunstmatig te verhogen, of om mooier gevormde toppen te krij-
gen.
Via kunstmatige bestuiving kunnen we verschillende erfelijke
eigenschappen van de planten doorkweken om zo een eigen ras te
laten ontstaan, met alleen de beste kenmerken. Het afval van
de planten dat tijdens de kultuur vrijkomt, kan op eenvoudige
wijze worden omgezet in plantenvoeding voor het volgende
seizoen.
2.1 De vollegrondkultuur
In eerdere uitgaven van dit boekje werd aanbevolen om de wiet
ruim te verbouwen op rijen van 1,25 meter uit elkaar, met 75
cm afstand in de rij. De nadruk werd hierbij gelegd op het
kweken van forse hoge planten.
Hoewel de kwalitatieve resultaten bij dit systeem goed waren,
moet ik hier nog van terug komen en wel om zuiver praktische
redenen. Die hoge planten zijn namelijk een geweldige blikvan-
ger, ook van ruime afstand. En aangezien het juridische kli-
maat in Nederland danig is veranderd, is dit niet zo best voor
de overlevingskansen van het veldje. Tot ca. 10 vierkante
meter is er nog niet zoveel aan de hand, dat wordt min of meer
(maar niet zwart op wit) getolereerd. Boven de 10 vierkante
meter loop je echter snel de kans om een proces verbaal aan je
broek te krijgen, en dan is het dus uitkijken geblazen.
De teelt moet er dan ook op gericht zijn om kleine planten te
kweken (ca. 75 - 100 cm. hoog) door dicht op elkaar te zaaien.
Voor de vollegrondkultuur gaan we bij voorkeur uit van zaad
van planten die tenminste zeven generaties in Nederland in de
vollegrond zijn verbouwd.
2.1.1 De grond
De grond waar we de planten gaan verbouwen moet het liefste
vrij hoog gelegen zijn, op een plaats waar de hele dag de zon
kan komen. Een winderige plaats is niet zo erg, belangrijk is
dat neerslag snel in de grond kan wegtrekken, zonder dat er
plassen blijven staan..
De beste grond die we kunnen gebruiken is grond die redelijk
vruchtbaar en los is (zwart en kruimelig). Er mag in geen
geval verse mest in de grond voorkomen. Dit geeft een veel te
rijke bladgroei en veroorzaakt stoornissen in de stofwisseling
van de plant.
2.1.2 Zaaien
Tussen half maart en eind mei wordt de wiet breedwerpig inge-
zaaid op een van te voren onkruidvrij gemaakt stuk grond. Het
zaad moet vrij dicht komen te liggen (gem. 3 x 3 cm.) Vervol-
gens wordt het zaad licht ingeharkt of afgedekt met hennepkom-
post van vorig jaar (zie aldaar). Het beste is om vlak voor
een regenbui te zaaien. Het zaad komt door de gelijkmatige
neerslag goed vast te liggen en kan zich tegelijk goed volzui-
gen met water. Het wordt voor vogels dan tevens moeilijker
gemaakt om zaad weg te pikken, want die zullen zeker komen.
Het kiemen van de zaden duurt ‚‚n tot drie weken, afhankelijk
van het weer. Na opkomst wordt het veldje de eerste tijd
onkruid vrij gehouden, tot de wietplantjes zo hoog worden dat
er geen zonlicht meer op de grond kan doordringen. Op rijke
gronden wil het nog wel eens voorkomen dat de wiet te weelde-
rig gaat groeien. Eind mei is de hoogte dan al 40 tot 60 cm.
De planten moeten dan teruggesnoeid worden tot 15 a 20 cm. met
behulp van een zeis of een schaar. De planten lopen binnen de
kortste keren weer uit vanuit de bladoksels. De groei wordt
dan veel dichter en de planten worden niet zo hoog (75 tot 100
cm.).
2.1.3 Selekteren
Wanneer zo rond half juni de planten beginnen te bloeien,
worden ze geselekteerd op hun geslacht. Zo rond die tijd
ontstaan in de bladoksels de eerste bloemetjes. Aan dit bloem-
pje kunnen we zien of we met een mannelijke of een vrouwelijke
plant te doen hebben. Is het bloempje bel-vormig, (net een
groen of geel zaadje) dan is het een mannelijke plant. Heeft
het bloempje twee duidelijke bruine of grijze haren, dan is
het een vrouwelijke plant.
Het verder selekteren begint bij de mannelijke planten. Op het
veld zoeken we ‚‚n of twee mannelijke planten uit, die zich
het best ontwikkelen. Deze laten we staan en de rest van de
mannelijke planten trekken we er allemaal uit. E‚n of twee
mannelijke planten is genoeg om voldoende zaadzetting bij de
vrouwelijke planten op het veld te krijgen. Die twee mannelij-
ke planten kunnen we een week (of twee) later ook uit de grond
trekken. We krijgen dan maar enkele zaden in de vrouwelijke
toppen en is over het algemeen voldoende om volgend jaar weer
een veldje te kunnen zaaien. De overgebleven vrouwelijke
planten laten we allemaal staan. Deze leveren de eigenlijke
wiet. Wel kunnen we die planten vast uittrekken, waarvan de
geur wijst op een niet of weinig aktieve THC-vorm. Maar daar-
voor moeten we de verschillende geuren en hun bijbehorende
aktiviteit terdege kennen. Dus als je het niet zeker weet:
laten staan!
2.1.4 Verdere verzorging
De overgebleven planten staan nu dicht op elkaar. Die dichte
stand is zeker niet nadelig voor de planten. Het is eerder een
voordeel: de planten moeten flink met elkaar konkurreren om
het in de bodem aanwezige vocht, hetgeen eerder tot uitdroging
leidt. Aan de andere kant houdt de dichte vegetatie veel vocht
vast tussen de planten. Dit is minder gunstig, omdat dit
schimmelvorming en verrotting in de hand werkt. Dit kunnen we
voorkomen door regelmatig grote stengelbladeren weg te pluk-
ken, zodat de planten door de wind sneller opdrogen. De zon
kan dan ook dieper in de vegetatie doordringen.
Tijdens de verdere groei kunnen we nog enkele bijzondere
teeltmaatregelen toepassen, maar daarover verderop meer.
2.1.5 Oogst
De oogst vindt plaats als de toppen goed ontwikkeld zijn en de
eerste zaden nagenoeg rijp zijn. We wachten op een periode met
warm zonnig weer, omdat het THC-gehalte dan het hoogst is. Met
het oogsten moet ook niet te lang gewacht worden, anders
bestaat de kans dat de toppen door schimmels aangestast wor-
den, vooral bij nat en koud weer. De toppen worden dan hele-
maal bruin en zijn binnen de kortste keren niet meer te ge-
bruiken. Meestal valt de oogsttijd tussen augustus en begin
oktober.
Het oogsten geschied door eerste de mooie toppen uit de plan-
ten te knippen en deze op geur bij elkaar te leggen; elke geur
op een apart stapeltje. De stapeltjes worden ieder apart aan
een draad geregen en op een donkere droge plaats opgehangen.
Ook kunnen de toppen worden ingebonden (zie aldaar).
Van het restant van de planten die nog op het veld staan,
worden (als dat nog niet gebeurt is) de grote bladeren wegge-
plukt. Vervolgens worden de topjes afgerist en weer op geur
apart gelegd. Deze leggen we op een krant of droogrek te
drogen op een beschaduwde plaats.
Laat alle delen drogen tot rond de kerst, voor je ze gebruikt.
De planten zijn dan goed droog, de THC is uitgekristalliseerd
en de "groene" smaak is eraf.
2.1.6 Hennep in de moestuin
De hennepplant heeft meer goede eigenschappen dan alleen zijn
geestverruimende werking, vooral waar het de toepassing in de
moestuin betreft.
Ten eerste is het natuurlijk een prima windvanger en het
verdient dan ook aanbeveling de hennepplanten als zodanig toe
te passen. Zet ze een rij dik om je moestuin en zorg dat ze
dicht op elkaar staan. De mannetjes kun je er natuurlijk
uittrekken.
Hennep heeft een goede uitstraling op verschillende andere
gewassen. Aardappelen die langs een rij hennep staan krijgen
mindere snel last van de schimmelziekte Phytophtora, terwijl
de geur van de hennep die van aardappelen verdringt. Zodoende
zal je ook minder last krijgen van Coloradokevers.
Om die zelfde redenen is het ook goed om koolsoorten in de
buurt van hennep te telen: koolwitjes hebben dan meer moeite
om de koolplanten te vinden en de aantasting door rupsen zal
dus minder zijn.
Door hun snelle vegetatieve groei leveren hennepplanten ook
prima materiaal voor de komposthoop, die bovendien sneller
verteert (zelfde werking als b.v. brandnetels).
2.2 De potkultuur
Bij de potkultuur hebben de planten een wat langere ontwikke-
lingstijd als bij de vollegrondkultuur. In de regel wordt al
in de tweede helft van december gezaaid.
Potplanten worden meestal als maagdewiet gekweekt, daarbij
uitgaande van buitenlands zaaigoed. Het is mogelijk om zelf
zaad te kweken (wat betere resultaten voor volgende jaren
garandeert), maar pas daarbij alleen kunstmatige bestuiving
toe.
2.2.1 Zaaien
Het zaaien voor de potkultuur verschilt in grote mate van de
vollegrond kultuur en vindt binnenshuis plaats. Zorg dat alle
te gebruiken materialen op kamertemperatuur zijn. Zet de zaden
een nacht te weken in een bak met water. De kiemkrachtige
zaden zakken naar de bodem en de lege zaden blijven drijven.
De volgende morgen worden de kiemkrachtige zaden uitgespreid
op een vochtige doek, die regelmatig nat wordt gehouden.
Hierop zullen de zaden kiemen. De zaden die na 5 tot 7 dagen
nog niet ontkiemd zijn, worden verwijderd. De beste kiemtempe-
ratuur is rond de 20øC.
Zodra de zaden gekiemd zijn, worden ze een halve cm. diep in
met potgrond gevulde turfpotjes gedrukt, met de kiemwortel
naar beneden.
Zet de turfpotjes in een langwerpige kist onder een in hoogte
verstelbare planten-TL-lamp (even zelf in elkaar knutselen).
Tijdens de daarop volgen groeiperiode wordt de TL-lamp steeds
5 tot 10 cm. boven de top van de plantjes gehouden. Hierdoor
krijgen de jonge plantjes een korte, stevige stengel. Pas op
dat de grond in de potjes niet uitdroogt.
Laten we de planten_TL-lamp achterwege en plaatsen we een bak
voor het raam op de zuidzijde, dan zullen de planten lange,
slappe stengels ontwikkelen die snel omvallen.
2.2.2 Verzorging van de opgroeiende plant
Zodra de wortels van de jonge planten door de wanden van de
turfpotjes beginnen te groeien, worden deze met pot en al
overgeplant in ¬ l. potten. Plantjes die achterblijven in de
groei worden verwijderd. Het turfpotje zal in de loop van het
seizoen verteren, dus is het niet nodig deze te verwijderen.
De platen kunnen nu onder de Tl-lamp vandaan en worden voor
een raam op de zuidzijde geplaatst. Achter de planten zetten
we een spiegel neer, of een plank met daarop een laag gladge-
streken aluminium folie geplakt. Dit dient om het buitenlicht
naar de planten toe te reflekteren, zodat de planten niet
scheef gaan groeien en meer licht krijgen. Draai de planten
elke morgen een halve slag om zodat beide zijden van de plan-
ten direkt zonlicht krijgen.
Als de planten ongeveer 25 cm. hoog zijn, wordt de groeitop
eruit geknepen om de plant te laten vertakken. Op de plaats
waar we sterke zijtakken wensen worden de stengelbladeren
weggeknipt. Tegelijkertijd worden de platen verpoot naar 5 l.
potten. In de komende tijd zullen de planten 4 tot 6 krachtig
stengels ontwikkelen. Als het weer het toelaat kunnen de
planten naar buiten, maar haal ze voorlopig 's nachts nog naar
binnen.
In april of mei worden de planten nogmaals verpoot, nu in
potten of bakken van 25 liter, die tenminste 35 cm. diep
moeten zijn. Zorg dat de wortels voldoende lucht kunnen krij-
gen. Voeg aan de potgrond wat scherp zand, kalk en (indien
voorradig) hennepkompost toe. Tegelijk met het verpotten
worden de stengels met de helft teruggesnoeid. Let op de
richting van de stengelbladeren waarboven gesnoeid wordt: deze
geven de richting van de toekomstige zijtakken aan. De plant
vormt vervolgens lang, rechte, weinig vertakte zijstengels,
die ‚‚n tot twee maanden later beginnen te bloeien.
Zorg er tijdens deze ontwikkeling voor, dat er voldoende
zonlicht in de planten kan doordringen. Knip daarom alle grote
stengelbladeren weg, evenals slecht geplaatste zijstengels.
Wanneer het geslacht duidelijk is, worden alle mannelijke
planten verwijderd. Zet eventueel de best ontwikkelde manne-
tjes apart om stuifmeel te winnen voor de kunstmatige bestui-
ving.
Laat de planten zoveel mogelijk buiten staan, maar haal ze
naar binnen zodra het begint te regenen. Na half mei kunnen ze
's nachts ook buiten blijven staan.
Wanneer de planten beginnen te bloeien, verminderen we gelei-
delijk aan de hoeveelheid water die de planten krijgen, om tot
een goede THC-vorming te komen. Zorg dat de planten zelf
zoveel mogelijk droog blijven.
2.2.3 Vervroegen van de bloei
Voor het verkrijgen van een goede oogst is het van belang dat
de planten reeds half juli bloeiaartjes (en dus THC) beginnen
te vormen. Vaak komt de vorming van aartjes pas half augustus
op gang, zodat de THC-produktie grotendeels afhankelijk is van
een goede nazomer.
We kunnen de planten vervroegd in bloei trekken, door ze een
gedeelte van de dag (b.v voor 10 uur en na 6 uur) in het
donker te plaatsen. Wanneer de hoeveelheid licht namelijk
verminderd wordt tot 8 uur of minder per dag gaan de planten
automatisch bloeien en kunnen we de bloeitijd zodoende aan-
zienlijk verlengen. Wanneer de aarvorming goed op gang is
gekomen, kunnen de planten weer de hele dag genieten van de
zon.
2.2.4 Ongedierte
Hoewel de plant weinig last heeft van ongedierte, kan spint
soms lastig zijn. Spint komt alleen voor op droge planten en
is te herkennen aan kleine rode spinnentjes ter grote van een
speldeknop, die webjes maken in de bladoksels.
Wanneer we spint konstateren, verstuiven we wat water over de
planten, waarin derrispoeder of pyrethrine opgelost is. Ver-
geet de onderkant van de bladeren niet. De twee genoemde
middelen zijn zuiver plantaardig van oorsprong. Ze zijn dode-
lijk giftig voor koudbloedige dieren, maar voor warmbloedige
dieren zijn ze volkomen ongevaarlijk. De beide stoffen zijn na
ñ twee weken langs natuurlijke weg weer afgebroken. Ze vormen
dus geen bedreiging voor het milieu.
2.2.5 Oogst
Wanneer de bloemen rood of goud gaan kleuren, is het tijd voor
de oogst, meestal in september of oktober. Potplanten worden
in hun geheel geoogst en met hun voetjes aan het plafond
gehangen of direkt verwerkt. Volkomen zaadloze planten kunnen
we echter nog op een heel andere manier oogsten.
2.2.6 Meerjarige planten (wietbomen)
Door een juiste manier van oogsten en overhouden in de winter,
kunnen we de stam van de maagdewiet in leven houden en tot een
wietboom maken in volgende jaren. Heel belangrijk hierbij is
dat er totaal geen zaadzetting mag hebben plaatsgevonden. Door
zaadzetting komt er namelijk een hormoon vrij dat de plant
doet afsterven.
Het begin van het opkweken van een wietboom ligt bij de oogst
van het eerste seizoen. Niet de hele wietplant wordt geoogst;
we knippen slechts de stengels af, die zijn ontstaan vanuit de
snoeipunten van de laatste keer verpotten. Laat echter ‚‚n of
twee bladoksels zitten, hieruit groeien de nieuwe zijstengels.
Verplant de stam in nieuwe grond en snoei tegelijkertijd ook
een deel van de wortel weg. Gedurende de winter wordt de plant
overgehouden op een lichte, koele, maar vorstvrije plaats.
Vanuit de snoeipunten zullen zich nieuwe stengels ontwikkelen,
die, net als bij kiemplantjes, beginnen met ‚‚n paar ongedeel-
de blaadjes.
De stengels die in het voorjaar (april-mei) zijn ontstaan,
worden weer met de helft teruggesnoeid. De verdere kultuur
verloopt als in het voorgaande jaar. Pas op dat de plant niet
bestoven wordt, want dan sterf zij onherroepelijk af.
2.3 Bijzondere teeltmaatregelen
2.3.1 Maagdewiet
De onbevruchte vrouwelijke planten hebben verreweg het hoogste
THC-gehalte. Alle energie is gericht op het vormen van bloemen
en de bescherming daarvan. Er is geen zaad dat de energie kan
wegtrekken.
Het kweken van maagdewiet kan toegepast worden op zowel de
vollegrondkultuur als de potkultuur en gaat in grote lijnen
zoals daar al beschreven is. Alle mannelijke planten worden
vroegtijdig verwijderd of van zakjes voorzien voor kunstmatige
bestuiving. Belangrijk is dat er geen stuifmeel in de lucht
komt, omdat dit bestuiving tot het gevolg heeft. E‚n mannelij-
ke plant die zijn stuifmeel kan lozen verpest een heel veld
maagdewiet.
De maagdewiet is ideaal om de twee volgende technieken op toe
te passen: het klieven van de stengel en kunstmatige transpi-
ratie.
2.3.2 Klieven
Wanneer de vrouwelijke bloemtoppen goed ontwikkeld zijn,
passen we een kunstgreep toe om de planten tot een hogere THC-
produktie aan te zetten. Dit is het zogenaamde klieven. Het
kan ook toegepast worden op planten met zaad; het juiste
moment is dan wanneer de eerste zaden volledig rijp zijn. Het
klieven is afkomstig uit Zuidoost Azi‰ en gaat als volgt in
zijn werk.
Op 20 tot 25 cm. van de grond binden we de onder de onderste
zijtakken een stuk touw vrij stevig om de stengel. Vervolgens
drukken we een scherp mes in de vezelrichting dwars door de
stengel heen, juist onder het touw. We drukken dit mes naar
beneden tot ca. 5 cm van de grond. Trek het mes er nog niet
uit. De stengel is nu over een lengte van 15 tot 20 cm. door-
midden gesneden.
Door deze snede drukken we vervolgens een stokje dat de dikte
heeft van een potlood. Dit gaat het beste door het mes terug
te drukken tot iets boven het midden en het mes vervolgens 90ø
te kantelen. De beide helften wijken dan enigszins uiteen,
zodat we het stokje er in het midden gemakkelijk door kunnen
steken. Breng het mes terug in rechte positie en trek het
eruit. Het stokje moet voorkomen dat beide stengeldelen weer
tegen elkaar trekken. Het touwtje boven de snede dient om
verder inscheuren van de stengel te voorkomen.
Deze ingreep heeft tot gevolg dat de opwaartse sapstroom van
de plant gestoord wordt. Dit dood de plant niet; wel worden er
daardoor minder voedingsstoffen en water naar de toppen ver-
voerd. Als gevolg daarvan stopt de vegetatieve groei. In
plaats daarvan gaan de kliertjes extra THC afscheiden om de nu
sterkere uitdroging te voorkomen.
2.3.3 Kunstmatige transpiratie
Een andere manier om voor een extra hoge THC-produktie te
zorgen (en bovendien bestuiving te voorkomen) is kunstmatige
transpiratie.
Als de bloemaartjes 1« tot 2 cm. lang zijn, worden om de
toppen ca. 30 cm. lange, lichtdichte, zwarte zakken geschoven.
Deze kunnen zelf gemaakt worden van een stuk landbouwplastic.
De zakken zorgen tijdens warme dagen voor een broeikas effekt.
Dit heeft als gevolg dat de THC vloeibaar wordt en vanuit de
kliertjes langs de kleine blaadjes wegloopt. De kliertjes gaan
daardoor transpireren en zullen aan ‚‚n stuk door THC blijven
produceren. De zakken worden van onderen niet dichtgebonden,
maar gewoon los gelaten voor de ventilatie. De lucht binnenin
de zakken wordt namelijk vochtig door verdamping die plaats
vindt vanuit de toppen. Wordt dit vocht niet afgevoerd dan
zullen de toppen gaan verschimmelen en afsterven. Het is ook
verstandig om van tijd tot tijd de zakken tijdelijk te verwij-
deren om de toppen te laten aandrogen. Draai de zakken dan ook
even binnenstebuiten, zodat die van binnen ook goed droog
worden.
Tegen de oogsttijd (ongeveer een maand later) worden de zakken
verwijderd. De toppen hebben dan een goudgele kleur gekregen
van de overvloedige THC-produktie. Kunstmatige transpiratie is
heel goed te kombineren met het klieven.
2.3.4 Reuzengroei m.b.v. colchicine
Evenals bij andere plantensoorten is het bij hennep mogelijk
om reuzengroei te laten plaatsvinden door genetische manipula-
tie met behulp van colchicine. Colchicine is een plantaardig
gif dat gewonnen wordt uit de bollen van de herfsttijloos
(colchicum autumnale) en dat inwerkt op de celdeling. Om de
werking uit te leggen moet er even een stukje biologie aan te
pas komen.
Voor een cel zich gaat delen vindt er eerst een kerndeling in
de cel plaats. De chromosomen (dat zijn de dragers van de
erfelijke eigenschappen) in de kern gaan zich daartoe op een
bepaalde manier rangschikken in het kernvlak. Deze chromosomen
komen altijd voor in paren, zodat het aantal chromosomen in
een cel gesteld kan worden op 2n. Bij de kerndeling gaan de
paren precies tegenover elkaar liggen in het kernvlak, waarna
elk chromosoom zichzelf kopieert. Het aantal chromosomen is op
dat moment 4n. Tegelijkertijd ontwikkelen zich aan de chromo-
somen draden die verbonden zijn met een pool aan elke zijde
van de cel. Wanneer de chromosomen zichzelf gekopieerd hebben,
worden ze door de draden uit elkaar getrokken in de richting
van de beide polen, zodat er zich dan twee kernen met elk 2n
chromosomen in de cel bevinden. Vervolgens wordt er in het
midden van de cel een celwand gevormd, zodat er dan twee
afzonderlijke cellen met elk een kern van 2n chromosomen zijn
ontstaan. Colchicine grijpt op dit mechanisme in door de
draden af te breken die de chromosomen met de polen verbinden.
Daardoor vind er wel een chromosoom verdubbeling plaats, maar
de cel deelt zich verder niet. Het aantal chromosomen komt
daarmee op 4n.
Nu is dit zo'n ingrijpende reorganisatie in de cel, dat plan-
ten en dieren er meteen kapot aan gaan, wanneer ze colchicine
binnen krijgen. Alleen plante-zaden kunnen dit overleven,
wanneer colchicine slechts tijdens de eerste celdeling van de
kiem inwerkt en daarna wordt uitgespoeld. Na de eerste onvol-
ledige deling is het aantal chromosomen in de kiem dus 4n
geworden. Daarna vinden er normale delingen plaats, waarbij
het aantal chromosomen dus telkens 4n blijft. Dit uit zich in
de plant doordat er dan reuzengroei op gaat treden: bladeren,
stengels en zaden worden dubbel zo groot en de plant wordt ook
dubbel zo hoog. De zaden die zo'n plant oplevert bevatten
normaal ook weer 4n chromosomen, wanneer ze tenminste bestoven
worden door mannetjes die ook 4n chromosomen bevatten. Worden
ze bestoven door mannetjes met het normale aantal chromosomen,
dan vindt er een terugval plaats. De zaden bevatten dan
slechts 3n chromosomen. Worden de plantjes uit die zaden het
volgende jaar weer bestoven met door mannetjes met 2n chromo-
somen, dan zal het overgrote deel van de nakomelingen weer
normaal 2n chromosomen hebben. De werking van de colchicine
wordt daardoor teniet gedaan.
Aan de andere kant is het ook mogelijk om de zaden van de
planten met 4n chromosomen nogmaals te behandelen met colchi-
cine. Er treedt dan weer een chromosoomsverdubbeling op,
waardoor de reuzengroei nog sterker wordt. Het aantal chromo-
somen wordt dan 8n.
Dit klinkt allemaal wel leuk, die reuzengroei, maar in de
praktijk heb je er weinig aan, De planten worden enorm hoog en
zijn moeilijk te behandelen, Bovendien blijven er resten
colchicine in de planten achter die de plant zelf geen kwaad
doen, maar de eventuele gebruiker van die plant om zeep kan
helpen. Het moet dan ook aangeraden worden de met colchicine
gemanipuleerde hennep niet eerder te gebruiken dan drie gene-
raties na de behandeling met colchicine. Er bevind zich dan
geen colchicine meer in de planten. De eerste drie jaren moet
je dus alleen zaad telen en de wiet zelf kun je maar het beste
tegelijk in de fik steken, zodat er geen vergissingen mee
plaats vinden.
Al met al moet ik het manipuleren met colchicine afraden,
omdat er grote risico's aan verbonden zijn voor ons eenvoudige
leken. Voor de volledigheid heb ik de beschrijving toch opge-
nomen en tevens als waarschuwing, omdat er in den lande plaat-
selijk wel mee ge‰xperimenteerd wordt.
De werking van colchicine is overigens al duizenden jaren bij
de mensheid bekend. Al zo'n 6000 jaar geleden werden in Klein
Azi‰ graszaden behandelt met colchicine, waardoor nieuwe
granen als tarwe ontstonden. Tarwe heeft zelfs 6n chromosomen,
vandaar ook die dikke zaden in vergelijking met andere gras-
soorten. Tegenwoordig wordt colchicine vaak toegepast bij het
kweken van sierbloemen. Op die manier zijn er bijvoorbeeld ook
de grootbloemige viooltjes, asters en petunia's ontstaan.
2.4 Kunstmatige bestuiving
Wanneer we de planten rustig hun gang laten gaan en elkaar
langs de natuurlijke weg laten bestuiven, zullen alle vrouwe-
lijke planten zaad zetten; ook die planten waarvan we eigen-
lijk geen zaad hoeven te hebben voor het volgende jaar. Wan-
neer we daarnaast verschillende rassen Nederwiet kweken,
hebben we geen oog meer op welke mannelijke planten nu welke
vrouwelijke planten bestuiven. De rassen zullen zich met
elkaar vermengen, waardoor alleen dominante eigenschappen
behouden blijven. Recessieve eigenschappen (die vaak goede
eigenschappen zijn) zullen in de loop der jaren verdwijnen.
Om al deze problemen te ondervangen kunnen we kunstmatige
bestuiving toepassen.
We vangen het stuifmeel van de mannelijke planten op, dat we
vervolgens op de stampers van de vrouwelijke planten aanbren-
gen, waarna de bestuiving heeft plaatsgevonden. Dit is in het
kort de weg die we moeten bewandelen.
2.4.1 Stuifmeel winnen
Wanneer de mannelijke planten hun eerste echte bloempluimen
gaan vormen (dit is dus niet het moment dat de eerste bloem-
pjes in de bladoksels van de hoofdstengel verschijnen, maar
later), is het tijd om het stuifmeel op te vangen. Dit gaat
als volgt in zijn werk.
Aan het begin van een periode van mooi weer worden de bloem-
pluimen in papieren zakjes (b.v. loonzakjes) verpakt. Knip de
gomstrook in het midden in, schuif het zakje om de pluim en
plak de nu twee losse gomstroken dicht, zodat de stengel door
het ingeknipte midden van de gomstrook gaat. Vijf zakjes per
plant is wel voldoende om genoeg stuifmeel te krijgen voor de
bestuiving. Alle overige bloempluimen worden weggeknipt.
Noteer van te voren de eigenschappen van de vaderplant op de
zakjes, zodat deze later niet verwisseld kunnen worden.
Laat de van zakjes voorziene planten nog een dag of vier op
het veld staan en trek ze dan uit en hang ze twee tot drie
weken te drogen. De zakjes blijven steeds om de bloempluimen
zitten. Wanneer er vroegtijdig een regenbui op komst is,
moeten de planten binnen gehaald worden, anders zullen de
zakjes verwateren en de inhoud wordt dan onbruikbaar.
Om te drogen en na te rijpen hangen we de planten met hun
voetjes aan het plafond. Na 2 tot 3 weken schudden we de
planten nog eens goed dooreen en halen de zakjes voorzichtig
van de bloempluimen, zodat er geen stuifmeel verloren gaat.
Stop het stuifmeel van elke plan in een apart potje en schrijf
ook hier de gegevens van de plant op. Het stuifmeel kan in
deze potjes bewaard worden tot het moment van bestuiven daar
is.
2.4.2 De bestuiving
Voor we gaan beginnen zoeken we eerst de planten uit die we
willen bestuiven. Op de vrouwelijke planten zoeken we bloem-
aartjes uit aan de zonzijde, onderin de plant. Het is zonde om
daar hoofd en zijstengels voor te gebruiken, omdat dan de
kwaliteit van de beste delen van de plant verloren gaat vanwe-
ge de zaadvorming. De aartjes onderin de plant hebben dezelfde
erfelijke eigenschappen als de aartjes in de toppen, dus
kunnen we net zo goed die delen van de plant gebruiken die
toch niet te roken zijn.
Voor de eigenlijke bestuiving hebben we alleen een dus pen-
seeltje en een dosis precisie nodig. Op een zonnige en wind-
stille morgen gaan we aan het werk.
We nemen met het penseeltje een beetje stuifmeel op uit het
potje en strijken dit voorzichtig over de stampertjes van de
vrouwelijke bloempjes. De bestuiving is hiermee volbracht. Pas
op dat je niet teveel stuifmeel gebruikt en ook niet morst,
anders vindt er ongewenst bestuiving plaats op andere delen
van de plant.
Hang aan de tak die we bestoven hebben een labeltje met de
eigenschappen van de mannelijke plant. Op deze manier kunnen
we verschillende rassen bestuiven op een en dezelfde vrouwe-
lijke plant. Kies voor elke mannelijke plant echter wel een
andere tak op de vrouwelijke plant en vergeet de labeltjes
niet.
2.4.3 Oogsten van het zaad
De bestoven planten moeten geoogst worden wanneer de zaadjes
zijn afgerijpt, maar de zaadhoesjes nog niet verdroogd zijn.
Knip allereerst de onbevruchte toppen uit de plant om die
afzonderlijk te drogen. Knip de stengel af juist boven de
bovenste bevruchte aartjes. Om de bevruchte aartjes, die nu
bovenaan zitten, schuiven we weer een loonzakje, op dezelfde
manier als we eerst gedaan hebben bij de stuifmeelwinning. De
zakjes zijn echter van te voren met een naald doorzeefd, om
het vocht te kunnen laten ontsnappen tijdens het drogen, maar
niet de zaadjes. Op de zakjes staan de gegevens van de Manne-
lijke en de vrouwelijke plant aangegeven.
Wanneer we alle bestoven delen op deze manier van zakjes
hebben voorzien, trekken we de moederplanten uit en hangen ze
omgekeerd te drogen tot het voorjaar, op een donkere plaats.
De eerder afgeknipte toppen hangen we afzonderlijk te drogen,
of binden ze in (zie verwerking).
In het volgende voorjaar, als de planten volkomen droog en
afgerijpt zijn, tikken we de bevruchte aren goed uit, zodat
alle zaden in het zakje vallen. Vervolgens halen we de zakjes
van de planten en stoppen de zaden met dezelfde erfelijke
eigenschappen bij elkaar in een ander zakje. Vergeet niet de
eigenschappen van de vader- en moederplant te noteren.
Laat de zaden niet te veel door de handen gaan. De zaden zijn
namelijk omgeven door en dun harslaagje, dat de zaden tegen
uitdroging beschermt. Transpiratievocht van de hand doet dit
laagje oplossen, waardoor de kiem en de zaadlob door uitdro-
ging gaan verschrompelen. De zaden hebben dan geen kiemkracht
meer.
2.4.4 Volgende jaren
Bewaar de zaden op een donkere, koele plaats tot het weer
zaaitijd is. Zaai de verschillende kruisingen op een afgeba-
kend stukje grond en vergeet niet de eigenschappen van de
ouderplanten te noteren bij het desbetreffende bedje. Erfelij-
ke eigenschappen komen zo duidelijk naar voren en ook het feit
of ze recenssief of dominant zijn.
In de daarop volgende jaren gaan we op dezelfde manier door
met kruisen. Nakomelingen met slechte eigenschappen komen niet
meer voor zaadproduktie in aanmerking. Bij juiste doorkruising
in de loop der jaren, zullen we een ras verkrijgen dat alleen
de beste eigenschappen heeft.
2.5 Afval als voeding
Alle afval van de hennepplant kan op eenvoudige wijze worden
omgezet in voeding voor een volgende generatie hennepplanten.
Alle afval wordt domweg op een hoop gezet en de natuur doet de
rest. We moeten alleen even uitkijken waar en hoe we de hoop
opzetten
De hoop wordt opgezet op een door bomen of struiken beschaduw-
de plaats, bij voorkeur onder vlierstruiken. De vlier scheid
namelijk een stof af die zeer stimulerend werkt op de verte-
ring in de hoop.
Op de grond waar de hoop komt te staan wordt eerst een rooster
uitgelegd van takken die kruislings over elkaar komen te
liggen. De breedte moet ongeveer 1« meter bedragen. De lengte
is onbepaald. Op deze takken komt een laagje stro, zodat het
afval niet naar beneden kan vallen. Dit rooster dient om het
overtollige water snel af te voeren en de hoop van onderen te
beluchten. Op het rooster komt fijngemaakt afval te liggen,
telkens in lagen van ca. 20 cm. dik met daartussen een laag
dolomietkalk (een niet-agressief natuurprodukt). De kalk dient
om vrijgekomen humuszuren te binden.
Bouw de hoop in een keer op tot een hoogte van 1 a 1« meter en
dek hem af met een laagje stro dat zo dik moet zijn dat het
onderliggende afval niet meer is te zien.
Giet vervolgens een emmer slootwater over de hoop om het
materiaal te bevochtigen en te injekteren met bacteri‰n.
Binnen een week zal de hoop gaan broeien, waarbij de tempera-
tuur oploopt tot ca. 60øC. De vertering is daarmee op gang
gekomen. Wanneer de hoop is afgekoeld, wordt deze opnieuw
opgezet, waarbij de buitenkant van de oorspronkelijke hoop
binnenin komt te liggen. De kompost kan nu de winter over
rijpen, tot het moment van toediening daar gekomen is.
Gebruik de kompost in het grondmengsel voor de potkultuur
planten of strooi een dun laagje over het pas gezaaide veldje
vollegrond planten.
Omdat de kompost van hennepplanten is gemaakt, bevat het alle
stoffen die de hennepplant nodig heeft voor een goede ontwik-
keling. Het is derhalve de ideale voeding voor de plant.


Comment