Re: 24 uur licht
groei (en de daarmee gepaard gaande verbranding) gaat 24 uur per dag door, de opname van energie voor die groeiprocessen slechts bij voldoende licht.

Het is bekend, dat planten in het donker sneller groeien. Dit heeft onder andere te maken met de concentratie auxine. Auxine is een stof, die de wandrekbaarheid van cellen vergroot, waardoor er in de vacuoles meer water kan lopen, en dat daardoor de cel in lengte toeneemt: celstrekking. De concentratie van auxine is het hoogst in het donker. Er zal dus volop celstrekking plaatsvinden, waardoor het versgewicht toeneemt.
Het drooggewicht zal gelijk blijven, omdat (die grafiek hierboven) de dissimilatie 24 uur per dag gelijk blijft.
In het licht echter, bij een gelijkblijvende dissimilatie maar een piek van fotosynthese, zal het drooggewicht wel toenemen.
Om een teelt binnen een etmaal te optimaliseren moeten de omgevingsfactoren, zoals licht, CO2 en temperatuur zodanig worden geregeld dat er een goede balans is tussen de energievastlegging door de fotosynthese overdag en de CO2 opname gedurende de nacht. Beide processen zijn sterk van elkaar afhankelijk. Het dagelijkse ritme van Phalaenopsis kan worden verdeeld in 4 fasen, die elk een eigen licht-, temperatuur- en CO2-behoefte hebben.
Fase I, de donker fase. In fase I zijn de huidmondjes open en vindt er CO2 opname plaats. De snelheid van opname en de duur ervan wordt echter mede bepaald door de voorafgaande lichtfase waarin de benodigde energie wordt vastgelegd. Is de energie niet toereikend dan stopt de CO2 opname eerder. Is er teveel energie dan remt dat de fotosynthese in de volgende lichtperiode. Fase I is niet gevoelig voor CO2. De temperatuurbehoefte is relatief laag (20-23 ºC). Dit heeft te maken met de doorlatendheid van membranen voor het product van de CO2 vastlegging; het appelzuur. Als de temperatuur te hoog wordt kan het opgeslagen appelzuur weglekken uit de opslagplaats (de vacuole) waardoor de efficiëntie van de CO2 vastlegging nadelig wordt beïnvloed.
Fase II. De overgangsfase tussen donker en licht. In deze fase beginnen de huidmondjes zich al in het donker te sluiten. De aanvang van de sluiting is afhankelijk van het ingestelde licht-donker ritme. Er zijn 2 verschillende CO2 bindende enzymen actief in fase II. Er is een positief effect te verwachten van CO2 dosering gedurende fase II. De lichtgevoeligheid van het blad is in het begin van Fase II laag, en neemt vervolgens in 2-3 uur zeer sterk toe.
Fase II duurt 1- 3 uur. De temperatuurbehoefte van de plant neemt tijdens fase II waarschijnlijk toe. Dit dient verder uitgezocht te worden.
Fase III. Stabiele fase waarin de huidmondjes zijn gesloten. Er is geen effect van CO2 te verwachten. De optimale lichtintensiteit varieert sterk; in het begin van fase III is de response op licht erg laag. Pas na 1-3 uur reageert de plant optimaal op licht. In fase III kan de optimale intensiteit oplopen tot 200 μmol PAR.
De lichtbehoefte is bovendien temperatuursafhankelijk, variërend van 200 μmol PAR bij 28 ºC tot 100 μmol PAR bij 18 ºC.
Fase IV. Opening van de huidmondjes aan het eind van de lichtperiode. Ook hier geldt zoals ook aangetoond is voor fase II dat er 2 CO2 bindende enzymen actief zijn in fase IV, waardoor er een zekere gevoeligheid voor de CO2 concentratie in de kas is te verwachten. De temperatuurbehoefte van de plant neemt tijdens fase 4 weer af in de aanloop naar fase I (donker) waarin de huidmondjes volledig geopend zijn.
De productiviteit van elk gewas wordt bepaald door de snelheid van ontwikkelingsprocessen enerzijds en de assimilatie van koolzuur anderzijds. Ontwikkelingsprocessen zoals bladafsplitsing, bloei-inductie en strekking van cellen in bloemen en vruchten zijn meer temperatuurafhankelijk dan processen die samenhangen met de assimilatie van koolzuur. In het vervolg worden de ontwikkelingsprocessen, waaraan gekoppeld de verdeling van assimilaten, sinks genoemd. De koolzuurassimilatieprocessen die impliciet zeer sterk afhankelijk zijn van het licht, worden source genoemd.

Beïnvloedende factoren zijn: licht, temperatuur en koolzuurconcentratie (CO2). Meer licht betekent een hogere fotosynthese en daardoor een grotere source. Temperatuur heeft binnen betrekkelijk ruime grenzen (15 ‑ 25 C) weinig invloed op de source. Temperaturen buiten dit traject verlagen de fotosynthese. Een hogere temperatuur doet de ademhaling toenemen. Temperatuur heeft vooral invloed op de ontwikkelingsprocessen. Een hogere temperatuur verhoogt de bloeisnelheid en versnelt het afrijpen van de vruchten. Bij een jong gewas (kleine planten) betekent een hogere temperatuur ook een snellere toename van de lichtonderschepping door de plant (hogere bladafsplitsings-snelheid en dunnere bladeren met een groter bladoppervlak). CO2: een hogere koolzuurconcentratie betekent een hogere fotosynthese en daardoor meer groei en productie. Boven een concentratie van 3 maal de buitenwaarde, die ca. 340 ppm bedraagt, heeft CO2 vrijwel geen invloed meer op de fotosynthese (verzadigings-niveau is bereikt).
groei (en de daarmee gepaard gaande verbranding) gaat 24 uur per dag door, de opname van energie voor die groeiprocessen slechts bij voldoende licht.
Het is bekend, dat planten in het donker sneller groeien. Dit heeft onder andere te maken met de concentratie auxine. Auxine is een stof, die de wandrekbaarheid van cellen vergroot, waardoor er in de vacuoles meer water kan lopen, en dat daardoor de cel in lengte toeneemt: celstrekking. De concentratie van auxine is het hoogst in het donker. Er zal dus volop celstrekking plaatsvinden, waardoor het versgewicht toeneemt.
Het drooggewicht zal gelijk blijven, omdat (die grafiek hierboven) de dissimilatie 24 uur per dag gelijk blijft.
In het licht echter, bij een gelijkblijvende dissimilatie maar een piek van fotosynthese, zal het drooggewicht wel toenemen.
Om een teelt binnen een etmaal te optimaliseren moeten de omgevingsfactoren, zoals licht, CO2 en temperatuur zodanig worden geregeld dat er een goede balans is tussen de energievastlegging door de fotosynthese overdag en de CO2 opname gedurende de nacht. Beide processen zijn sterk van elkaar afhankelijk. Het dagelijkse ritme van Phalaenopsis kan worden verdeeld in 4 fasen, die elk een eigen licht-, temperatuur- en CO2-behoefte hebben.
Fase I, de donker fase. In fase I zijn de huidmondjes open en vindt er CO2 opname plaats. De snelheid van opname en de duur ervan wordt echter mede bepaald door de voorafgaande lichtfase waarin de benodigde energie wordt vastgelegd. Is de energie niet toereikend dan stopt de CO2 opname eerder. Is er teveel energie dan remt dat de fotosynthese in de volgende lichtperiode. Fase I is niet gevoelig voor CO2. De temperatuurbehoefte is relatief laag (20-23 ºC). Dit heeft te maken met de doorlatendheid van membranen voor het product van de CO2 vastlegging; het appelzuur. Als de temperatuur te hoog wordt kan het opgeslagen appelzuur weglekken uit de opslagplaats (de vacuole) waardoor de efficiëntie van de CO2 vastlegging nadelig wordt beïnvloed.
Fase II. De overgangsfase tussen donker en licht. In deze fase beginnen de huidmondjes zich al in het donker te sluiten. De aanvang van de sluiting is afhankelijk van het ingestelde licht-donker ritme. Er zijn 2 verschillende CO2 bindende enzymen actief in fase II. Er is een positief effect te verwachten van CO2 dosering gedurende fase II. De lichtgevoeligheid van het blad is in het begin van Fase II laag, en neemt vervolgens in 2-3 uur zeer sterk toe.
Fase II duurt 1- 3 uur. De temperatuurbehoefte van de plant neemt tijdens fase II waarschijnlijk toe. Dit dient verder uitgezocht te worden.
Fase III. Stabiele fase waarin de huidmondjes zijn gesloten. Er is geen effect van CO2 te verwachten. De optimale lichtintensiteit varieert sterk; in het begin van fase III is de response op licht erg laag. Pas na 1-3 uur reageert de plant optimaal op licht. In fase III kan de optimale intensiteit oplopen tot 200 μmol PAR.
De lichtbehoefte is bovendien temperatuursafhankelijk, variërend van 200 μmol PAR bij 28 ºC tot 100 μmol PAR bij 18 ºC.
Fase IV. Opening van de huidmondjes aan het eind van de lichtperiode. Ook hier geldt zoals ook aangetoond is voor fase II dat er 2 CO2 bindende enzymen actief zijn in fase IV, waardoor er een zekere gevoeligheid voor de CO2 concentratie in de kas is te verwachten. De temperatuurbehoefte van de plant neemt tijdens fase 4 weer af in de aanloop naar fase I (donker) waarin de huidmondjes volledig geopend zijn.
De productiviteit van elk gewas wordt bepaald door de snelheid van ontwikkelingsprocessen enerzijds en de assimilatie van koolzuur anderzijds. Ontwikkelingsprocessen zoals bladafsplitsing, bloei-inductie en strekking van cellen in bloemen en vruchten zijn meer temperatuurafhankelijk dan processen die samenhangen met de assimilatie van koolzuur. In het vervolg worden de ontwikkelingsprocessen, waaraan gekoppeld de verdeling van assimilaten, sinks genoemd. De koolzuurassimilatieprocessen die impliciet zeer sterk afhankelijk zijn van het licht, worden source genoemd.
Beïnvloedende factoren zijn: licht, temperatuur en koolzuurconcentratie (CO2). Meer licht betekent een hogere fotosynthese en daardoor een grotere source. Temperatuur heeft binnen betrekkelijk ruime grenzen (15 ‑ 25 C) weinig invloed op de source. Temperaturen buiten dit traject verlagen de fotosynthese. Een hogere temperatuur doet de ademhaling toenemen. Temperatuur heeft vooral invloed op de ontwikkelingsprocessen. Een hogere temperatuur verhoogt de bloeisnelheid en versnelt het afrijpen van de vruchten. Bij een jong gewas (kleine planten) betekent een hogere temperatuur ook een snellere toename van de lichtonderschepping door de plant (hogere bladafsplitsings-snelheid en dunnere bladeren met een groter bladoppervlak). CO2: een hogere koolzuurconcentratie betekent een hogere fotosynthese en daardoor meer groei en productie. Boven een concentratie van 3 maal de buitenwaarde, die ca. 340 ppm bedraagt, heeft CO2 vrijwel geen invloed meer op de fotosynthese (verzadigings-niveau is bereikt).





Comment