Mededeling

Collapse
No announcement yet.

hoe?wie?wwat?waar?waarom?

Collapse
X
 
  • Filter
  • Tijd
  • Geef Weer
Clear All
new posts

    Nederland: hoe?wie?wwat?waar?waarom?

    Korting op 420shop
    mmmm ik snap er allemaal niks meer van eerst was het nog dat je 5 planten mocht hebben dan 3 en nu heb ik gehoord je mag er geen meer hebben ik vraag me af wat nu eigelijk waar is

    mag je eigenlijk binnen kweken met apparatuur(tent lamp etz) geld die 5 plant regel dan ook of geld die alleen voor buitenkweek zonder apparatuur

    mag je eigenlijk een tent lamp afzyuiging (kweekspullen) hebben of als ze binne komen en ze zien dat staan kunnen ze het dan afpakken ookal staat er niks in?

    ik zie hier wel een paar topics staan maar die zijn van 2009 0.o en met wetten gaan ze simpel en snel om

    #2
    Re: hoe?wie?wwat?waar?waarom?

    Normaal gesproken kun je de laatste info vinden op de pagina van de Rijksoverheid, maar:

    Door een grote storing is Rijksoverheid.nl momenteel niet bereikbaar. Wij werken aan een oplossing om de website zo spoedig mogelijk weer beschikbaar te ...



    Stultus es, qui facta infecta facere verbis postulus.


    sigpic

    FAQ links over kweken



    Never give in ó never, never, never, never, in nothing great or small, large or petty, never give in except to convictions of honour and good sense.
    W.L.S. Churchill







    Comment


      #3
      Re: hoe?wie?wwat?waar?waarom?

      Het zal er echt niet beter op zijn geworden ben ik bang...

      Dit is waar ik vanuit ga :

      - Alle cannabiskweek is verboden
      - In geval van kweek TOT 5 (dus 4 of minder) stuks ZONDER professionele ondersteuning volgt er geen straf als er afstand gedaan wordt van de planten.
      - Binnenkweek met lampen etc is in alle gevallen verboden, ook al is het maar ťťn plant, en er volgt dan als regel een strafmaatregel. Huurders kunnen het pand gaan ontruimen...
      - professionele apparatuur : afzuiging, lampen (ook TL/spaar), schakelapparatuur, meetinstrumenten, filters pompen en ga zo maar door
      - kweekspullen an sich zijn niet strafbaar, wel kunnen ze in beslag genomen worden als ze duidelijk tot doel hebben cannabis te kweken

      Als er een ding is wat ik wel geleerd heb : je recht willen halen bij de politie is niet slim, mocht je gepakt worden doe dat dan via 'n advocaat bij de rechtbank.

      DUS : kweken doe je goed stiekem, of gewoon niet. Succes
      Society is like stew-if you don't keep it stirred up, you end up with a lot of scum on the top

      Comment


        #4
        Re: hoe?wie?wwat?waar?waarom?

        Beroeps- en bedrijfsmatige teelt

        Bij de opsporing ligt de prioriteit bij de beroeps/bedrijfsmatige teelt. Bij de vaststelling van hetgeen beroeps/bedrijfsmatige teelt is, spelen de volgende factoren een rol:
        de schaalgrootte van de teelt (d.w.z. de hoeveelheid planten);
        het soort perceel waarop geteeld wordt;
        gebruik van teeltapparatuur (belichting, verwarming, bevloeiing, etc.);
        de rol van de verdachte: is er bijvoorbeeld sprake van het gedurende langere tijd investeren in hennepteelt.
        De richtlijnen maken duidelijk dat in de ogen van justitie al zeer gauw sprake is van professionele hennepteelt.

        Niet bedrijfsmatige teelt
        In geval van teelt van niet meer dan 5 planten wordt aangenomen dat sprake is van niet beroeps/bedrijfsmatige teelt. Bij dit aantal mag worden aangenomen dat het een teelt uitsluitend voor eigen gebruik betreft. Teelt door minderjarigen behoort steeds te leiden tot een strafrechtelijke reactie.
        Er volgt in dat geval bij ontdekking politiesepot met afstand. De teler dient bij ontdekking dus wel afstand van zijn hennepplanten te doen! Doet de verdachte teler dat niet dan riskeert hij strafvervolging. Ik citeer uit een arrest van het Gerechtshof te Den Bosch van 17 december 2008 (LJN: BG7139, Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-004755-07):
        Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat in dit geval door de verdachte niet reeds tijdens het opsporingsonderzoek, doch eerst tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, afstand is gedaan van de op 12 september 2007 in de tuin van zijn woning door de politie aangetroffen en in beslag genomen hennepplanten. Aan bedoelde voorwaarde voor het voorkomen van strafrechtelijke vervolging is hier derhalve niet voldaan. De afstandverklaring ter terechtzitting in eerste aanleg kan daaraan niet afdoen, nu het openbaar ministerie immers op dat moment op goede gronden reeds de strafvervolging had aangevangen. Evenmin kan hieraan afdoen dat de politie op 11 september 2007 de in de tuin van de woning van verdachte aanwezige hennepplanten ongemoeid heeft gelaten, kennelijk met aanzegging aan de verdachte dat hij iets aan de stankoverlast moest doen en de planten moest halveren.
        Niet alleen is niet aannemelijk geworden dat de verdachte op 12 september 2007 de hem door de politie aangezegde maatregelen heeft getroffen, ook mocht de verdachte in redelijkheid aan het optreden van de politie op 11 september 2007 niet het vertrouwen ontlenen dat hij niet strafrechtelijk vervolgd zou worden wanneer de hennepplanten bij een daaropvolgend aantreffen door de politie in beslag genomen zouden worden en hij op dat moment geen afstand van de planten zou doen. De omstandigheid dat de verdachte op 12 september 2007 door de politie werd aangehouden wegens belediging van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en aanstonds werd afgevoerd, waardoor hem mogelijk de gelegenheid is ontnomen om ter plaatse een afstandsverklaring te ondertekenen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de verdachte ook bij gelegenheid van zijn verhoor nog afstand van de in beslag genomen hennepplanten had kunnen doen, maar dat heeft nagelaten”.
        De teler van niet meer dan vijf hennepplanten die wel tijdig afstand van zijn planten had gedaan, kwam er diezelfde dag bij hetzelfde Hof beter vanaf. Citaat uit inhoudsopgaaf van het arrest (LJN: BG7141, Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-000247-08):
        Gedoogbeleid. Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de strafvervolging ter zake van het telen c.q. aanwezig hebben van niet meer dan vijf hennepplanten en 2180 gram hennep, nu aangenomen moet worden dat de losse hennepproducten van diezelfde planten afkomstig zijn”.

        Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepteelt
        Bij de ontdekking van hennepteelt zal de politie proberen vast te stellen of er in strijd met de Opiumwet gelden zijn verdiend. De politieambtenaar die de kwekerij betreedt, gaat vaak volgens een vast stramien te werk. Citaat uit een standaard proces-verbaal:
        “Door mij/ons, rapporteur(s), is ten tijde van het ontmantelen van de hennepkwekerij getracht vast te stellen of er aanwijzingen waren die er op duidden dat er een eerdere
        oogst is geweest in de ontmantelde hennepkwekerij. Door mij, rapporteur, is het navolgende gebleken (aankruisen wat van toepassing is):
        Er lag dik stof op:
        { } de kappen van de armaturen van de assimilatielampen
        { } het stoffilter van de koolstofcilinder
        { } de aanwezige elektra
        { } het rotorblad van de ventilator
        { } de kachel
        overig
        { } Er zat kalkaanslag op het materiaal van het irrigatiesysteem;
        { } Er was afval aanwezig:
        { } Hennepafval op de grond
        { } Hennepafval in zakken
        { } Hennepaanslag op de aangetroffen schaartjes
        { } De schaartjes stonden in vloeistof
        { } Er was oude aardeafval in zakken / potten
        { } Er werden gebruikte lege potten aangetroffen
        { } Er was afval aanwezig in de vloeistofbak
        { } Er waren lege voedingsflessen aanwezig
        Overig
        { } Er zijn notities of er is een agenda aangetroffen waaruit een eerdere oogst blijkt (bijvoegen)
        { } Er is gedroogde hennep aangetroffen
        { } Er zijn droogrekjes met oud hennepafval aangetroffen
        anders (hier omschrijven)”
        Voor de schatting van de winst die is behaald met de teelt van hennep wordt gebruik gemaakt van een standaard berekening. Klagen over het gebruik van deze standaardberekening heeft alleen zin als overtuigend aannemelijk kan worden gemaakt op grond van welke feiten en omstandigheden de standaardberekening in een bepaalde zaak niet van toepassing is. De Hoge Raad keurt het gebruik van een gestandaardiseerde berekening niet af zo blijkt uit het arrest van 1 april 2008. (LJN: BC8581, Hoge Raad , 01199/07 P)
        Citaat uit inhoudsindicatie arrest:
        “Profijtontneming. Conclusie AG over de gemiddelde opbrengst per plant van 28.2 gram, ontleend aan het rapport "Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, uitgave van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie" van april 2005. HR: 81 RO”.
        Door de voorzitters van de sectoren strafrecht zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop zal worden omgegaan met ontnemingsvorderingen bij hennepteelt.
        (LOVS: 19-9-2008)
        1. Bij het berekenen van het behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepteelt dient, indien mogelijk, als uitgangspunt te worden genomen de werkelijke opbrengst die de specifieke hennepkwekerij in de voorliggende casus heeft behaald.
        2. Indien het uit het dossier en het verhandelde ter zitting het werkelijk behaalde voordeel onvoldoende blijkt, wordt een fictieve opbrengst berekend.
        3. Als uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting de details van de hennepkwekerij blijken (waaronder met name het aantal planten per vierkante meter), dan kan
        aan de hand van het BOOM-rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht; Standaardberekening en normen” een redelijk nauwkeurige
        berekening van de fictieve opbrengst (gewicht) per hennepplant worden gemaakt.
        4. Indien deze details (en met name het aantal planten per vierkante meter) niet bekend zijn, wordt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een
        opbrengst van 28,2 gram hennep per hennepplant. Deze waarde vertegenwoordigt de gemiddelde opbrengst, dat wil zeggen de opbrengst die door 50% van de hennepkwekerijen
        ten minste wordt gehaald.
        5. Bovenstaande laat onverlet dat het onderzoek ter terechtzitting mogelijk tot een andere uitkomst leidt.
        Het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie uit april 2005 bevat de standaardberekening en normen. Ik citeer uit dit rapport:

        A. Opbrengst

        De volgende bouwstenen bepalen de totale opbrengst:
        1. De periode van hennepkweek zal aannemelijk gemaakt moeten worden;
        2. Aantal oogsten: periode gedeeld door een kweekcyclus van 10 weken;
        3. Aantal planten �� aanwezige aantal planten tijdens ontmanteling kwekeri;j
        4. Opbrengst hennep in grammen �� afhankelijk van aantal planten per m2; indien het aantal planten per m2 niet bekend is, zal uitgegaan worden van 15 planten per m2, de mediaan uit het verrichte onderzoek, en de daarbij behorende opbrengst van 28,2 gram per plant. (Bij minder planten per vierkante meter stijgt de opbrengst per plant. 1 plant levert dan volgens de tabel 34,3 gram op. Bij 40 planten per vierkante meter daalt de opbrengst tot 14,2 gram per plant.)
        5. Opbrengst hennep in geld € 2.370,- per kilogram.
        De opbrengst van een kwekerij met 350 planten, 20 planten per m2 en een periode van 52 weken bedraagt dan:
        5 (aantal oogsten) x 350 (aantal planten) x 25,7 (grammen/plant) x € 2,37 = € 106.590,75

        B. Kosten

        De volgende bouwstenen bepalen de totale kosten:
        1. Afschrijvingskosten van de investeringen: afhankelijk van het aantal planten per oogst, zijn de afschrijvingskosten als in onderstaande tabel:
        Aantal planten Afschrijvingskosten per oogst in € 0 – 199 150,- 200 –299 200,- 300 – 399 250,- 400 – 499 300,- 500 – 599 350,- 600 – 699 400,- 700 – 799 450,- 800 – 899 500,- 900 – 1.000 500,- 2. Variabele kosten: stekken, kweekmedium, water, voedingsstof € 4,40 per plant.
        3. Elektriciteit (alleen in mindering te brengen indien aannemelijk is dat deze kosten ook
        daadwerkelijk betaald zijn):
        Indien illegaal afgenomen: de niet betaalde kosten berekend door het energiebedrijf (exclusief administratiekosten etc. in rekening gebracht door het energiebedrijf en exclusief de in rekening gebrachte energiekosten voor de in beslag genomen oogst);
        Indien legaal afgenomen: de berekening door het energiebedrijf of, indien deze berekening niet voorhanden is, een kostenpost per lamp per oogst zoals opgenomen in onderstaande tabel: Wattage lamp Afgerond per oogst in € 400 90,00 600 125,00 1.000 195,00
        4. Kosten knippers (alleen in mindering te brengen indien aannemelijk is dat deze kosten ook daadwerkelijk betaald zijn) € 2,- per plant.
        5. Huisvestingskosten: alleen in mindering brengen indien ze niet ook al voor legale doeleinden gemaakt zijn.
        De kosten bij bovengenoemde kwekerij van 350 planten, waarbij betrokkene zelf geknipt heeft en de elektriciteit illegaal is afgenomen en nog niet betaald is, bedragen: € 1.250,- (5 x 250,-; afschr.kosten) + € 7.700,- (5 x 350 x 4,40; var. kosten) = € 8.950,-

        C. Wederrechtelijk verkregen voordeel = Opbrengst (A) minus kosten (B)
        Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt: € 106.590,75 - € 8.950,- = € 97.640,75

        Cannabis en belasting
        Wiettelers zijn over hun met de illegale teelt verdiende inkomsten / winsten Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen verschuldigd. Ik citeer uit een uitspraak van de belastingkamer van de rechtbank te Haarlem van 25 september 2007 (LJN: BB4973, Rechtbank Haarlem , 06/11990, 06/11991 en 06/11992):
        “Eiser heeft een hennepkwekerij gedreven, maar geen administratie bijgehouden, terwijl hij wel administratieplichtig was. De inschatting van de inkomsten door verweerder is niet onredelijk. Eiser enkel gesteld geen inkomst te hebben genoten. Daarmee heeft hij onvoldoende tegenwicht geboden aan de gemotiveerde en gedocumenteerde stellingname van verweerder. Er is geen sprake van cumulatie van de boetes.
        4.1. Niet in geschil is dat eiser een hennepkwekerij heeft gedreven. Eiser heeft van het uitoefenen van het bedrijf geen administratie bijgehouden, terwijl hij wel administratieplichtig was.
        Mitsdien is niet voldaan aan de in artikel 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vervatte verplichting. Ingevolge artikel 27e, onderdeel b, van de AWR dient om deze reden het beroep ongegrond te worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.
        4.2. De rechtbank acht, gelet op de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, niet aannemelijk dat naast eiser ook anderen inkomsten uit de hennepkwekerij hebben genoten. Eisers stelling dat ook anderen als medeverdachten zijn aangemerkt, acht de rechtbank onvoldoende om ook aan die anderen, van wie de rol in de onderhavige hennepteelt niet duidelijk is geworden, inkomsten uit deze hennepteelt toe te rekenen. Verweerder heeft de door hem berekende inkomsten gebaseerd op door hem overgelegde deskundigenrapporten. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit in beginsel niet tot een onredelijke schatting van de door eiser genoten inkomsten.
        De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de omvang van met hennepkweek samenhangende inkomsten en kosten, gelet op het verboden karakter van de hennepkweek, zich moeilijk laten inschatten. Niet uit te sluiten valt dat eiser, zoals hij stelt, niet in staat is geweest met de door hem aangeschafte hennepplantjes een oogst te behalen die in omvang en kwaliteit kan worden vergeleken met de oogst van ervaren kwekers. Eiser heeft zich er evenwel toe beperkt bij monde van zijn gemachtigde te weerspreken dat hij enige inkomst heeft genoten.
        Daarmee heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende tegenwicht geboden aan de gemotiveerde en gedocumenteerde stellingname van verweerder. De slotsom is dat het beroep tegen de winstcorrectie ongegrond is”.
        De belastingdienst heft geen BTW over de handel in wiet en hasjiesj. Heffing van BTW over binnen de Europese Unie absoluut verboden zaken (drugs en vals geld) is namelijk niet toegestaan.
        Ondanks het feit dat nergens in de Europese Unie de handel in hennepstekken is toegestaan, wordt over deze handel in Nederland wel BTW geheven. De belastingrechter merkt hennepstekken niet aan als verdovende middelen en staat toe dat de belastingdienst het algemene tarief (op dit moment 19%) heft.
        De Hoge Raad oordeelde op 3 januari 2001
        (Zie www.rechtspraak.nl: LJN: AA9242, Hoge Raad , 34781)
        :
        Zo al elke lidstaat van de EG, ook indien daartoe genoopt door een of meer internationale verdragen, een invoer- en verhandelingverbod zou kennen ten aanzien van hennepstekken, die, zoals de onderhavige worden geteeld met het oog op verkoop voor productie van een verdovend middel, dan nog kan dit, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, niet tot de conclusie leiden dat de onderhavige levering buiten de heffing van de omzetbelasting valt, aangezien, naar het Hof heeft vastgesteld, de hennepstekken zelf geen verdovende middelen zijn en deze ook overigens, zoals uiteengezet in onderdeel 4.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, geen goederen zijn die in zichzelf schadelijk zijn voor de openbare orde, de volksgezondheid of een dergelijk dringend belang, maar verboden zijn in verband met de omstandigheid dat zij geschikt en bestemd zijn voor het voortbrengen van producten waaruit een dergelijke schadelijke stof (een verdovend middel) kan worden gewonnen. Mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 29 juni 1999, zaak C-158/98 (Coffeeshop SiberiŽ), BNB 2000/178, - met name op rechtsoverweging 9 - dient de levering van een dergelijk goed, dat zelf nog geen schadelijk, verboden verdovend middel is, niet van heffing van omzetbelasting te worden uitgesloten. In dit verband wordt opgemerkt dat het hiervůůr genoemde verbod van de Opiumwet niet absoluut is in die zin dat daaronder valt elk voorhanden hebben en verhandelen van hennepstekken buiten het strikt gereglementeerde gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden (onderdeel 4.20 van de conclusie van de Advocaat-Generaal)”.
        Ondernemers die handelen in hennepstekken zijn over hun illegale winst Inkomstenbelasting/ Premie volksverzekeringen verschuldigd. Over hun behaalde omzet hennepstekken dienen zij Omzetbelasting (BTW) af te dragen. Omdat geen enkele leverancier een factuur zal uitreiken, wordt de BTW geheven over het bedrag van de omzet (dus zonder rekening te houden met de inkoop).
        Sinds 1 januari 1997 is de belastingdienst niet langer neutraal. De belastingdienst heft belastinggelden over inkomsten. Het speelt hierbij geen enkele rol als de inkomsten in strijd met de wet zijn verworven. Aan de kostenzijde is de neutraliteit in de Wet op de Inkomstenbelasting opgeheven. Indien de hennepteler of stekkenhandelaar na afdracht van belastingen door de strafrechter wordt veroordeeld wegens de teelt van hennep of de handel in hennepstekken kan de belastingdienst de kosten die verband houden met het misdrijf waarvoor hij is veroordeeld bij de winst tellen.
        Voor alle duidelijkheid. Door belasting te betalen blijft de handelaar in hennepstekken of de teler van wiet na ontdekking geen strafrechtelijke procedure strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bespaard. Wel volgt uit de wet dat geen ruimte bestaat om winstbelasting te heffen over inkomsten die aan de veroordeelde belastingplichtige door de strafrechter zijn ontnomen met toepassing van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

        Strafmaat
        Door het College van Procureurs-Generaal zijn richtlijnen opgesteld inzake het opsporings- en strafvorderingsbeleid strafbare feiten Opiumwet. Deze richtlijnen zijn als beleidsregels gepubliceerd op de internetsite van het openbaar ministerie (www.om.nl).
        Ook de voorzitters van de sectoren strafrecht van de rechtbanken hebben omwille van de rechtseenheid afspraken gemaakt over de strafoplegging. Deze afspraken zijn gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Op 1 november 2008 zijn de volgende afspraken gemaakt: (citaat)

        Art. 3, onder B, Opiumwet hennepkwekerijen
        (LOVS: 15-9-2000, 31-10-2008)
        Het min of meer bedrijfsmatig of in ieder geval met een zekere professionaliteit kweken van hennepplanten in ruimtes zoals een (woon)huis, loods of andere soortgelijke ruimte met als
        kennelijk doel de verkoop van de geoogste planten. Het betreft een verdachte die voor dit delict first offender is en die niet in het kader van een georganiseerd verband handelt. Uitgangspunt bij hantering van deze oriŽntatiepunten is dat het financieel voordeel is/ wordt ontnomen en dat apparatuur is/wordt verbeurdverklaard en/of onttrokken aan het verkeer.
        a. 50-100 planten:
        OriŽntatiepunt: € 900 geldboete
        (per 1 januari 2009: € 1000)

        b. 100-500 planten:
        OriŽntatiepunt: 6 weken gevangenisstraf
        c. 500-1000 planten:
        OriŽntatiepunt: 12 weken gevangenisstraf

        Algemene richtlijn voor alle oriŽntatiepunten
        Als de rechter van oordeel is dat kan worden volstaan met een werkstraf geldt het volgende uitgangspunt: 1 dag gevangenisstraf staat in verhouding tot 2 uur werkstraf met een maximum van 240 uur.
        Teelt van cannabis in huurwoningen
        Ik citeer uit een conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad bij een arrest van 11 april 2008 (LJN: BC5722, Hoge Raad , C06/338HR).
        Ontbinding van een huurovereenkomst betreffende woonruimte in verband met hennepkweek heeft de nodige jurisprudentie opgeleverd. H.J. ter Meulen merkt in de conclusie van zijn bijdrage in WR-Tijdschrift voor huurrecht van 2004 op:
        "Na deze uitvoerige uiteenzetting kan de conclusie kort zijn. In de meeste gevallen zal de exploitatie van hennepkwekerij beoordeeld kunnen worden als een daad van gevaarzetting en dientengevolge als niet goed huurderschap. Het meestal aanwezige commerciŽle karakter van een hennepkwekerij kan daarnaast tot een ongeoorloofde bestemmingswijziging leiden.

        Gevolg is dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst annex ontruiming, voor toewijzing gereed ligt, nu deze tekortkomingen niet bijzonder van aard of gering van betekenis zijn. Enkel (zeer) bijzondere woonomstandigheden, die overtuigend moeten blijken, kunnen er nog toe leiden dat de rechter vaststelt dat een ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, met als gevolg dat de vordering tot ontbinding niet wordt toegewezen." (blz. 324)
        In zijn bijdrage in WR-Tijdschrift voor huurrecht van 2007 sluit hij hierop aan met:
        "In de afgelopen twee jaar is evenwel weer een behoorlijk aantal hennepuitspraken verschenen (die onder meer betrekking hadden op bijkomende kwesties zoals het beleid van verhuurder) zodat het interessant is om te bezien of de bestendige lijn in de jurisprudentie is doorgetrokken. Dan blijkt dat bij de meeste gerechtelijke instanties (......) de toetsingscriteria (goed huurderschap, bestemming woonruimte, bewijslastverdeling) inderdaad zijn aangescherpt, zij het dat Gerechtshof Amsterdam alsmede enkele kantonrechters nog wel eens wat meer coulance betrachten met de hennep kwekende huurder. ......... .

        Voorts blijkt dat het beleid van de collectieve verhuurder (nagenoeg altijd een woningcorporatie) een steeds grotere rol gaat spelen. Dit beleid wordt zo langzaam aan niet alleen de toetssteen waaraan 'goed huurderschap' wordt opgehangen maar het geeft de huurder ook de mogelijkheid om met een kritische beoordeling van dat beleid aan een ontbinding te ontkomen. ..... Maar het geheel overziende moet toch geconcludeerd worden dat afgezien van enkele succesjes voor de huurder, de in de Hennepspecial beschreven lijn in de jurisprudentie, in de afgelopen twee jaar grotendeels is bevestigd."
        Heel kort samengevat kan worden gesteld dat bij de teelt van hennep in huurwoningen de kans heel groot is dat de rechter een vordering van de verhuurder strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst gevolgd door ontruiming zal toewijzen.

        Bron: http://www.andrebeckers.nl/html/cannabis.php


        Aanwijzing opiumwet


        Rechtskarakter Aanwijzing i.d.z.v. art. 130 lid 4 Wet RO
        AfzenderCollege van procureurs-generaalAdressaatHoofden van de parkettenRegistratienummer2000A019Datum vaststelling2 november 2000Datum inwerkingtreding1 januari 2001Geldigheidsduur1 januari 2005Verlengde geldigheid30 juni 2011Publicatie in Staatscourant2000, 250 en 2004, 246VervallenRichtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de opiumwet (vervallen) (onbekend)Wetsbepalingen -artikelen 2, 3, 3b, 4, 10, 10a, 11, 12 , 13 en 13b Opiumwet
        Jurisprudentie-Bijlagen1Achtergrond:

        1. De Drugnota van september 1995

        In september 1995 verscheen de nota "Het Nederlandse Drugbeleid, continuÔteit en verandering" (hierna te noemen: de Drugnota) waarin het kabinet zijn beleid uiteenzet voor de komende jaren. Uitgangspunt van dit beleid blijft het volksgezondheidsbelang. Deze nota bracht op diverse punten beleidswijzigingen als gevolg van ontwikkelingen zowel op maatschappelijk terrein (het verschijnen van nieuwe produkten op de markt, veranderingen in het gebruik, de gebruikerspopulaties en het criminaliteitsbeeld, overlast, afnemende tolerantie) als op internationaal en politiek terrein (consequenties van het Nederlandse beleid voor de ons omringende landen, acceptatie van het Nederlandse beleid in het buitenland, drugtoerisme).


        2. Cannabisteelt

        In april 1999 zijn wijzigingen van de Opiumwet in werking getreden. Een van de wijzigingen betrof de introductie van het "beroeps of bedrijfsmatig handelen in strijd met een van de in artikel 3, eerste lid onder B gegeven verboden", alsmede de introductie in die verboden van het bestanddeel "telen".

        Uit een in maart 1998 afgeronde procesevaluatie van de richtlijn Opiumwet van 10 september 1996, gebaseerd op de Opiumwet zoals deze luidde voor de hiervoor genoemde wijzigingen, kwam naar voren dat in het land verschillend werd omgegaan met toen onder het bestanddeel "aanwezig hebben" gehanteerde begrippen als kleinschalige en grootschalige bedrijfsmatige teelt van nederwiet. In die richtlijn werd naast het aantal planten gewerkt met indicatoren om de professionaliteit van de teler te bepalen. Voor de strafeis werd een koppeling gelegd tussen het aantal aangetroffen planten en het aantal oogsten per jaar. In de praktijk pakte die koppeling niet altijd rechtvaardig uit.

        Onder vigeur van de nieuwe wettelijke regeling gaan deze aanwijzing alsmede de richtlijn voor strafvordering Opiumwet softdrugs uit van twee situaties: er is sprake van ofwel beroeps- of bedrijfsmatige teelt, ofwel geen beroeps- of bedrijfsmatige teelt.

        Voor de bepaling of van beroeps- of bedrijfsmatig handelen sprake is en de mate daarvan , kan worden aangeknoopt bij een aantal indicatoren. Deze indicatoren zijn genoemd in bijlage 1 bij deze aanwijzing.

        Bij een hoeveelheid van 5 planten of minder wordt aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Deze situatie wordt gelijk behandeld als de situatie waarin wordt geconstateerd dat sprake is van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik. In die gevallen volgt sepot met afstand, met als motief "gering feit". Sepotcode: 40


        3. Algemene uitgangspunten

        3.1. Onderscheid tussen harddrugs en softdrugs

        Uitgangspunt van het beleid blijft het onderscheid dat in de Opiumwet is gemaakt tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs) en drugs met een geringer risico (softdrugs). De wetgever heeft dat onderscheid gemaakt met het oog op de gebruiksrisico's van de onderscheiden drugs en om een duidelijke scheiding tussen beide markten aan te brengen.

        De achterliggende gedachte hiervan is dat de cannabisgebruiker uit het veel hardere en criminele milieu van de harddrugmarkt moet worden gehouden.

        Overeenkomstig de Opiumwet wordt onderscheid gemaakt tussen grensoverschrijdende transporteurs, handelaren en gebruikers. De wettelijke strafmaxima voor de verschillende delicten bepalen ook de onderlinge verhouding van de hoogte van de straffen die tegen deze categorieŽn delinquenten dienen te worden geeÔst. Die straffen worden voorts in hoofdzaak bepaald door de hoeveelheid verdovende middelen die onderwerp van het delict zijn en de periode gedurende welke in verdovende middelen is gehandeld.

        Als er sprake is van een ernstige vertoring van de openbare orde door de wijze waarop handelaren in hardrugs hun waar aan de man proberen te brengen dient dat strafverhogend te werken.

        Met het in werking treden van de nieuwe richtlijnen voor strafvordering Opiumwet komt de speciale richtlijn die vanaf oktober 1997 gold voor harddrugkoeriers Schiphol te vervallen. Enerzijds omdat het type delinquent waarvoor deze richtlijn was geschreven de zogenaamde pakezel- ook in andere arrondissementen kan opduiken, anderzijds omdat in de Polaris richtlijnen uitsluitend met geobjectiveerde beoordelingscriteria wordt gewerkt en de reden om tegen deze delinquenten relatief lage straffen te eisen gelegen was in hun persoonlijke omstandigheden. Hoewel ze dus niet als algemeen werkende strafverminderende factor zijn benoemd, kunnen deze omstandigheden vanzelfsprekend in concrete situaties ook onder de nieuwe richtlijnen tot een verminderde eis leiden.


        3.2. Gedoogbeleid en lage opsporingsprioriteit

        In de aanwijzing is in het verband van het coffeeshopbeleid en de "gebruikersruimte" sprake van gedogen van strafbare feiten. Op andere punten wordt een lage opsporingsprioriteit toegekend aan strafbare feiten.

        De grondslag van gedoogbeleid ligt in de afweging van belangen waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een hoger identificeerbaar algemeen belang. In de context van het drugbeleid wordt dit hogere belang gevonden in de volksgezondheid (scheiding der markten) en de openbare orde. Het gaat dus om een positieve beslissing niet op te sporen en te vervolgen ongeacht de aanwezige capaciteit.

        De toekenning van een lage opsporingsprioriteit aan bepaalde categorieŽn van strafbare feiten is in het algemeen gelegen in de beoordeling van de relatieve ernst van de strafbare feiten afgezet tegen capacitaire overwegingen.


        3.3 Opsporings- en vervolgingsbeleid
        Indien er sprake is van georganiseerde criminaliteit zal, zo mogelijk, art. 140 WvSr moeten worden toegepast.
        Extra aandacht moet in de vervolging worden gegeven aan de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 36e WvSr).
        Inbeslagneming en afstand: Bij het constateren van een strafbaar feit op grond van de Opiumwet dienen in elk geval alle aangetroffen middelen vermeld op lijst I en/of II in beslag te worden genomen, met een uitzondering voor methadon wanneer het een hoeveelheid voor eigen geneeskundig gebruik betreft die op recept is verkregen.

        Samenvatting:

        Deze aanwijzing heeft betrekking op de opsporing en de vervolging van de delicten uit de Opiumwet en de personen die deze delicten begaan. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de bestuurlijke en strafrechtelijke aspecten van het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops. Verder wordt ingegaan op het onderzoek van afval afkomstig van synthetische drugslaboratoria alsmede het verbaliseringsbeleid in het geval van het samengaan van Opiumwet- en milieudelicten.
        Pre-opsporing:

        1. Coffeeshops

        "Coffeeshops" zijn alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van softdrugs plaatsvindt. Deze gelegenheden kunnen ook andere namen voeren, zoals reggaebar, koffiehuis, theehuis, shoarmahuis, sappenbar en dergelijke. In deze aanwijzing is gekozen voor de verzamelnaam coffeeshop, omdat die het meest is ingeburgerd.

        Het aantal coffeeshops is in het begin van de jaren '90 enorm toegenomen. Mede door de overlast die dat met zich mee brengt, is op steeds meer plaatsen de dringende behoefte ontstaan om het aantal coffeeshops terug te dringen. Dat is gebeurd.

        Op veel plaatsen is een lokaal coffeeshopbeleid tot stand gekomen dat voorziet in een maximum aantal coffeeshops, waarbij regulering plaatsvindt d.m.v. een (soort) vergunningenstelsel dat wordt gebaseerd op de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In een dergelijk stelsel wordt toestemming gegeven om een speciaal soort horeca-inrichting te exploiteren, namelijk een horeca-inrichting waar men zich mag beroepen op het justitiŽle gedoogbeleid.

        Het OM werkt bij de totstandkoming en handhaving van lokaal coffeeshopbeleid samen met de lokale autoriteiten.

        In het kader van een in de lokale driehoek gezamenlijk uit te werken integraal beleid ten aanzien van coffeeshops, dient tot een evenwichtige inzet van de verschillende beheersingsinstrumenten te worden gekomen. In artikel 13b van de Opiumwet is een bestuursdwangbevoegdheid opgenomen van de burgemeester: voor coffeeshops hangt dit nieuwe bestuurlijke handhavinginstrument als het spreekwoordelijke zwaard van Damocles boven het hoofd, in de gevallen dat er niet wordt gehandeld overeenkomstig het lokaal geldende coffeeshopbeleid en daarmee dus ook in de andere hiervoor genoemde gevallen, waarin er geen sprake is van overlast.

        Artikel 13b Opiumwet introduceert een bestuursrechtelijk instrument, dat betrekking heeft op een beperkt aantal overtreding. De bevoegdheden om strafrechtelijk op te treden blijven daarnaast bestaan.

        Het Openbaar Ministerie spant zich in om in het driehoeksoverleg met de burgemeester(s) afspraken te maken over een efficiŽnte en effectieve hantering van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhavinginstrumenten

        Een actieve rol vanuit het OM geeft het signaal dat justitie het belang van de aanpak onderschrijft, de bestuurlijke aanpak strafrechtelijk ondersteunt en haar eigen verantwoordelijkheid daarin neemt.

        Uitgangspunt voor het coffeeshopbeleid is dat de verkoop van alcohol en de verkoop van soft drugs niet samen dienen te gaan. Redenen hiervoor zijn onder meer dat - uit oogpunt van handhaafbaarheid - aldus het te controleren segment van economische bedrijvigheid wordt versmald, terwijl tevens wordt bevorderd dat een beperkter publiek wordt geconfronteerd met (soft) drugs. De gemeente beschikt over instrumenten om de droge horeca te reguleren.

        In het lokale driehoeksoverleg kan worden afgesproken dat in een bepaalde gemeente in het geheel geen coffeeshops worden gedoogd.
        Het coffeeshopbeleid ten aanzien van affichering door coffeeshops op het internet wordt lokaal in het driehoeksoverleg besproken en vastgesteld. Het afficheringsverbod wordt daarmee bestuurlijk gefundeerd in het vergunningenbeleid, waardoor ook bestuursrechtelijke handhaving mogelijk wordt.
        Het expliciet tonen van of verwijzen naar prijslijsten voor softdrugs en het tonen van een opsomming en/of beschrijving van producten en/of afbeeldingen, ook als het via het internet geschiedt, is strafbaar ingevolge artikel 3b Opiumwet. Dit biedt de grond om proces-verbaal op te maken en aan te bieden aan het OM zodat het OM tot vervolging over kan gaan.

        2. Gebruikersruimten

        Op lokaal niveau zijn initiatieven ontplooid om zogenaamde gebruikersruimten (ook wel pension of soosruimte genaamd) te creŽren. In die ruimten wordt, om overlast op straat tegen te gaan, verslaafden gelegenheid geboden hun gebruikershoeveelheid drugs te nemen. Ter plaatse zijn doorgaans hulpverleners aanwezig.

        Uitgangspunt voor deze gebruikersruimten is dat verstrekken of verhandelen - ook van gebruikershoeveelheden drugs - niet is toegestaan en dat daartegen wordt opgetreden. Dit ter voorkoming van een aanzuigende werking van de gebruikersruimten en andere negatieve effecten.

        Deze gedoogsituatie kan alleen bestaan in een breder kader van een door de driehoek te formuleren geÔntegreerde benadering van de drugproblematiek waarbij de belangen van de volksgezondheid en de openbare orde veilig zijn gesteld.
        Opsporing en vervolging:

        Vanwege de diversiteit aan daders is de aanwijzing ruim gesteld. Dit maakt differentiatie mogelijk. Desalniettemin kunnen er redenen zijn om af te wijken van de aanwijzing. De rol die een verdachte heeft in het geheel, kan daarbij een belangrijke overweging zijn. Indien afwijkingen meer dan incidenteel voorkomen, zal de hoofdofficier van justitie dit voorleggen aan het College.


        1. Middelen vermeld op lijst I (hard drugs), anders dan bezit van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik

        Met uitzondering van methadon is het uitgangspunt dat er ťťn regime is voor alle middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet.

        De verboden handelingen met de middelen vermeld op lijst I worden in artikel 2, eerste lid, (en 3b: openbaarmaking) van de Opiumwet omschreven. Het gaat hierbij om drie groepen strafbare feiten:
        Binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen (1.1.)

        Vervaardigen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren (1.2.)

        Aanwezig hebben (1.3)
        1.1. Binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen

        Bij de in- en uitvoer van hoeveelheden bestemd voor verdere verspreiding is vrijwel altijd sprake van betrokkenheid van meerdere daders in het land van herkomst en het land van bestemming. De rol van de dader kan bijvoorbeeld zijn die van opdrachtgever/eigenaar van de zending, koerier of feitelijk vervoerder, 'controller' (toezichthouder op de koerier en/of het transport) of afhaler. In een groter georganiseerd verband zijn vaak nog meer personen betrokken, onder meer bij het leveren van de verdovende middelen aan de koerier of transporteur, het regelen van het grensoverschrijdend transport en/of de ontvangst van de zending.

        Opsporing:gerichte opsporing; toepassing inverzekeringstelling.

        Vervolging:vordering voorlopige hechtenis.


        1.2. Vervaardigen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren

        Bij deze categorie strafbare feiten is het niet van belang of de handelingen al dan niet een geringe hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik betreffen.

        Opsporing:gerichte opsporing; toepassing inverzekeringstelling.
        Vervolging:vordering voorlopige hechtenis (met aandacht voor vroeghulpinterventie bij kleinhandelaren die tevens gebruiker zijn).


        1.3. Aanwezig hebben

        De omstandigheid dat een verdachte wordt aangetroffen met een hoeveelheid middelen vermeld op lijst I, groter dan "een geringe hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik", levert het vermoeden op dat hij deze hoeveelheid aanwezig heeft teneinde er de handelingen mee te verrichten omschreven in artikel 2, eerste lid, onder A of B van de Opiumwet. Alsdan geldt:

        Opsporing:gerichte opsporing; toepassing inverzekeringstelling.
        Vervolging:vordering voorlopige hechtenis (met aandacht voor vroeghulpinterventie bij kleinhandelaren die zelf gebruiker zijn).


        2. Middelen vermeld op lijst II onderdeel b (hennepprodukten), anders dan een hoeveelheid van minder dan 30 gram

        De verboden handelingen met middelen vermeld op lijst II, onderdeel b (hennepprodukten), worden in artikel 3, eerste lid (en 3b: openbaarmaking) van de Opiumwet omschreven. Het gaat hierbij om twee groepen strafbare feiten:
        Binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen (2.1.)

        Vervaardigen en aanwezig hebben en, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren. (2.2.)

        2.1. Binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen

        Uit artikel 11 van de Opiumwet blijkt dat het strafbare feit, omschreven in artikel 3, lid 1, onder A van de Opiumwet ook bij een hoeveelheid van 30 gram of minder wordt aangemerkt als misdrijf. Het moet dan gaan om hennep(produkten). Achterliggende gedachte is dat 30 gram het risico van overdraagbaarheid met zich brengt.

        Aangezien echter nu, in het kader van het zogenaamde coffeeshopbeleid, een criterium voor een hoeveelheid voor eigen gebruik is ontwikkeld, kan daarmee rekening worden gehouden. Als er sprake is van een hoeveelheid van 5 gram of minder, ligt toepassing van het dwangmiddel inverzekeringstelling of het vorderen van voorlopige hechtenis, niet in de rede.

        De algemene regel is:

        Opsporing:gerichte opsporing; toepassing inverzekeringstelling.
        Vervolging:zo mogelijk (gezien art. 67a WvSv): vordering voorlopige hechtenis.


        2.2 Vervaardigen en aanwezig hebben en al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren.

        2.2.1. Teelt van cannabis

        In verband met de inwerkingtreding van de wet van 18 maart 1999 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de invoering van een verhoogde strafmaat voor beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt, behoort onderscheid te worden gemaakt tussen teelt en beroeps-of bedrijfsmatige teelt.

        Voor de goede orde: onder teelt worden hier, behalve telen in de taalkundige zin van dit woord, ook verstaan de andere in artikel 3 eerste lid onder B van de Opiumwet genoemde handelingen.

        In het in werking getreden besluit van 19 maart 1999 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 18 oktober 1976, houdende uitvoering van artikel 3a, eerste lid van de Opiumwet, is geregeld dat de verboden van artikel 3, eerste lid onder B van de Opiumwet niet gelden voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de produktie van hennepvezel, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod om te telen slechts geldt voorzover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht.

        Ook bij telen is de hoeveelheid plantmateriaal van belang bij de afwegingen rond opsporing en vervolging. Het ligt in de rede om voor de teelt een toegespitste regeling te hanteren omdat levend plantmateriaal al snel de gewichtsgrens van 5 gram zal overtreffen.

        Prioriteit ligt bij de beroeps/bedrijfsmatige teelt. Bij de vaststelling van hetgeen beroeps/bedrijfsmatige teelt is, spelen de volgende factoren een rol:
        de schaalgrootte van de teelt:
        <ul>de hoeveelheid planten; in ieder geval meer dan 5;
        het soort perceel waarop geteeld wordt.
        </ul>indicatoren met betrekking tot belichting, verwarming, bevloeiing, etc. (opgenomen in bijlage 1);
        de rol van de verdachte: is er bijvoorbeeld sprake van het gedurende langere tijd investeren in het telen van hennep om geldelijk gewin te verkrijgen?
        Indien wordt voldaan aan meer dan twee punten, genoemd in de lijst indicatoren met betrekking tot de mate van professionaliteit, zoals opgenomen in bijlage 1, gaat de richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs, uit van een hogere beboeting.

        Niet bedrijfsmatige teelt

        In geval van teelt van niet meer dan 5 planten wordt aangenomen dat sprake is van niet beroeps/bedrijfsmatige teelt. Er volgt dan bij ontdekking politiesepot met afstand. Niet bedrijfsmatige teelt van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik heeft, indien de verdachte volwassen is, geen prioriteit. Teelt door minderjarigen behoort steeds te leiden tot een strafrechtelijke reactie.


        2.2.2. Coffeeshops

        AHOJG -criteria

        Het coffeeshopbeleid voorziet in vergaande regulering: onder strikte voorwaarden wordt de verkoop van softdrugs in coffeeshops gedoogd. De achtergrond daarvan is dat de overheid het bezit voor eigen gebruik van cannabis, vanwege de gezondheidsrisico's, wil ontmoedigen en wil voorkomen dat gebruikers bij de aanschaf van cannabis in aanraking komen met een criminele omgeving.

        Bij de beoordeling van de vraag of tegen een coffeeshop - een bij de wet verboden situatie - strafrechtelijk opgetreden dient te worden, gelden de volgende criteria:
        geen affichering: dit betekent geen reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit;

        geen harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of verkocht worden;

        geen overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshops, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten;

        J:geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang aan jeugdigen tot een coffeeshop: gelet op de toename van het cannabisgebruik onder jongeren is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar;

        geen verkoop van grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram).

        Onder "transactie" wordt begrepen alle koop en verkoop in ťťn coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper.

        Strakker gedoogbeleid

        Onder bovenstaande voorwaarden zal in beginsel tegen coffeeshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd, niet strafrechtelijk worden opgetreden. Dit geldt, vanuit een oogpunt van beheersbaarheid en controleerbaarheid, nadrukkelijk niet voor verkoop van softdrugs in bijvoorbeeld cafťs, winkels of afhaalcentra, via een koeriers- of taxibedrijf, een 06-nummer, postorderbedrijf of anderszins. Voor zover dergelijke situaties in het verleden wel zijn getolereerd of gedoogd, dient het beleid te zijn gericht op beŽindiging daarvan.

        Als de driehoek heeft gekozen voor de zogenoemde nuloptie, kan ook zonder overschrijding van bovenstaande criteria strafrechtelijk worden opgetreden tegen coffeeshops die zich toch in de gemeente vestigen. Het sluiten van een coffeeshop is voorbehouden aan het lokale bestuur.

        Eveneens in de driehoek kan de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops worden vastgesteld. Tegen een handelsvoorraad onder het maximum wordt in beginsel niet opgetreden. De voorraad zal in elk geval de 500 gram niet te boven gaan. Bij overtreding van een der criteria door een gedoogde coffeeshop blijft overigens het voorhanden hebben en verkopen van handelsvoorraden voor risico van de coffeeshop-exploitant en de coffeeshop-eigenaar, waarbij sprake zal zijn van door de Opiumwet gekwalificeerd bedrijfsmatig handelen

        Hier wordt ook verwezen naar het gestelde rond artikel 13b van de Opiumwet, zoals hiervoor uiteengezet in de rubriek "pre-opsporing" .

        Artikel 3b Opiumwet

        De volgende twee beleidscriteria gelden ten aanzien van artikel 3b Opiumwet:
        Het is onwenselijk dat niet-gebruikers ongewild geconfronteerd worden met (reclame voor) drugs. Dit betekent dat de aanpak van aanbieders die actief het publiek benaderen, voorrang dient te hebben;
        Gelet op het belang dat binnen het Nederlands drugbeleid wordt gehecht aan preventie geldt het vorenstaande a fortiori waar het gaat om reclame-uitingen die zich richten op kwetsbare groepen als jeugdigen. Gelet op het belang dat dient te worden gehecht aan de uitstraling van het nationaal opsporings- en vervolgingsbeleid over onze landsgrenzen heen, geldt dit tevens voor reclame die zich richt op buitenlandse toeristen die ons land bezoeken.

        Strafrechtelijk optreden op grond van artikel 3b Opiumwet is in ieder geval mogelijk als er sprake is van:
        Het kenbaar maken van prijzen met verkooppunten door middel van elk medium (televisie, radio, kranten, Internet, reclameborden langs de weg, posters, folders, magazines, gidsen, tijdens manifestaties e.d.); meer dan slechts 'beursberichten'.
        Pseudo-medische of -wetenschappelijke voorlichting, mits kan worden aangetoond dat het in feite een openbaarmaking betreft, welke er kennelijk op is gericht de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs te bevorderen (bijvoorbeeld een in de vorm van 'voorlichtingsfolder' gegoten reclamefolder over softdrugs uitgegeven door en herleidbaar tot een coffeeshop).
        Overtreding van het afficheringsverbod voor gedoogde coffeeshops (reclame die meer inhoudt dat een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit); bijvoorbeeld een uithangbord of lichtbak aan de gevel of een poster op de ruit.

        3. Geringe hoeveelheid voor eigen gebruik van de middelen vermeld op lijst I (harddrugs)

        Indien de handelingen beschreven in paragraaf 1 betrekking hebben op een geringe hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik, geldt een lager strafmaximum (artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet). Onder een geringe hoeveelheid wordt verstaan: een hoeveelheid/dosis die doorgaans wordt aangeboden als gebruikershoeveelheid. Hierbij kan worden gedacht aan b.v. ťťn bolletje, ťťn ampule, ťťn wikkel, ťťn pil/tablet; in elk geval een aangetroffen hoeveelheid van maximaal 0,5 gram.

        In het geval van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik dient de hulpverlening aan de gebruiker voorop te staan. Contacten met het consultatiebureau voor alcohol en drugs en (eventueel) andere hulpverleningsinstellingen moeten in een vroeg stadium gelegd worden.

        Opsporing:geen gerichte opsporing; geen inverzekeringstelling.
        Vervolging:slechts vervolging ter ondersteuning van hulpverlening.


        4. Een hoeveelheid minder dan 30 gram van de middelen vermeld op lijst II onderdeel b

        De grens van wat gedoogd wordt ten aanzien van de verkoop van hennepprodukten door de coffeeshops is gesteld op 5 gram. Het ligt in de rede in beginsel eenzelfde grens te hanteren ten aanzien van het bezit van hennepprodukten. Tot en met 5 gram, de geringe hoeveelheid voor eigen gebruik, wordt derhalve politiesepot toegepast. Bij hoeveelheden tussen de 5 en de 30 gram volgt bij ontdekking een strafrechtelijke reactie.

        Opsporing:geen gerichte opsporing.


        5. Samenloop van Opiumwet-delicten en delicten uit de milieuwetgeving.

        Bij de illegale produktie van synthetische drugs en van hennep kan sprake zijn van overtreding van de Opiumwet, maar ook van overtreding van de Wet milieubeheer of andere milieuwetten.

        De Wet milieubeheer verplicht tot het hebben van een vergunning voor het oprichten en/of in werking hebben van een inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. (art. 8.1, eerste lid, jo. art. 1.1, derde en vierde lid). De ervaring leert dat er bij de produktie van synthetisch drugs vrijwel altijd sprake is van (ernstige) milieurisico's, zoals ontploffings- en brandgevaar, verontreiniging door (gevaarlijk afval en opslag van chemicaliŽn).

        Vooraf dient van geval tot geval te worden bezien of er redenen zijn om (ook) op basis van milieuwetgeving op te treden. In de afweging dient ook betrokken te worden de schaarse capaciteit van milieudiensten en het gerechtelijk laboratorium. Het driehoeksoverleg is het geŽigende forum om hierover afspraken te maken.

        Strafvordering:

        Zie de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (reg. nr. 2000R004), de bij die richtlijn behorende Boeteregeling Opiumwet Softdrugs en delictspecifieke factor Professioneel vervaardigen van softdrugs, de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, harddrugs (reg. nr. 2000R005) en de bij die richtlijn behorende , basisfactor Handelsperiode harddrugs en delictspecifieke factor Ernstige verstoring openbare orde door straat/panddealen.

        Overgangsrecht:

        De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.

        Bijlage 1

        Indicatoren voor bedrijfsmatig handelen met betrekking tot de teelt van cannabis.
        Hoeveelheid planten meer dan 5.
        Professionaliteit
        ProfessionaliteitLaag
        HoogBelichtingdaglicht
        kunstlicht op tijdklokkenVoedinggieter
        centraal geregeld bevloeiingssysteemRuimtebalkon, tuinafgescheiden ruimte in huiskas of grote, verdeelde en afgeschermde ruimteAfscherminggeen
        geÔsoleerd m.b.t. daglicht en temperatuurVentilatiegeen
        afzuiging naar buitenVerwarminggeenwelThermostaat gestuurdBodemaarde, potgrond
        steenwol, hydrocultuurZiektebestrijdinggeenwelSignaleringsve llen, biologischVerwerkingkleinin eigen beheeruitbesteed aan manicultuurbedrijfPlantmateriaalonbekend zaadgeselecteerd zaadstekken van eigen planten of extern gekochtCO2-suppletiegeenwelgestuurde installatie



        Bron http://www.om.nl/algemene_onderdelen...zing_opiumwet/






        ook eens leuk om in te vullen

        http://wetgeving.snow-white.nl/
        Last edited by monty; 18th February 2011, 02:48.

        Comment


          #5
          Re: hoe?wie?wwat?waar?waarom?

          oftewel : als je kweekt doe je het goed en heel erg stiekem.

          Geweldig stuk monty, thanx !
          Society is like stew-if you don't keep it stirred up, you end up with a lot of scum on the top

          Comment


            #6
            Re: hoe?wie?wwat?waar?waarom?

            Copy paste he. Bronnen staan erbij.

            Comment

            Footer Left Ad

            Collapse
            Bezig...
            X