Mededeling

Collapse
No announcement yet.

Vrouwelijke zaden kweken

Collapse
X
  • Filter
  • Tijd
  • Geef Weer
Clear All
new posts

    Wietzaden: Vrouwelijke zaden kweken

    Korting op 420shop
    1ste manier: vertaling etc volgt nog (ben zelf nog effe info aan het verzamelen enzo, die smijt ik eerst hierop en dan verwerk ik da wel verder tot een deftig topicje )

    Vrouwelijke zaden kweken

    Gefeminiseerde / vrouwelijke zaden creŽren is een kunst, er zijn enkele verschillende manieren. Je hebt glibberic Acid, licht stress, ph-stress, stress door je meststoffen maar allemaal willen ze een ding bereiken dat er mannelijke bloemen op een XX plant komen.

    Dit proces kan toegepast worden om:

    A: nieuwe vrouwelijke zaden te creŽren van een supermoeder die je staan hebt
    B: om interessante vrouwelijke hybride zaden te creŽren van verschillende interessante soortjes die je momenteel hebt
    C: om vrouwelijke zaden te creŽren voor een optimale buitenkweek
    D: om het proces te versnellen naar de zoektocht voor een ideale nieuwe moederplant
    E: om het aantal planten die je kweekt voor medicinaal gebruik zo beperkt mogelijk te houden (dus geen extra planten uit angst voor teveel mannetjes)
    F: voor meer variatie, door stabiele vrouwelijke zaadlingen te maken die kunnen dienen als een alternatief voor klonen

    Het is wel een vereiste dat je je al goed ingestudeerd hebt over de theorie van cannabis kweken voor dat je een techniek als deze gebruikt.

    Het is ook zeer belangrijk dat je de basis veiligheidsvoorschriften respecteert wanneer je de chemicaliŽn mixt en gebruikt. De risico`s zijn gelijk aan het mixen en gebruik van chemische meststoffen dus pas dezelfde veiligheids voorzorgen toe.

    Onthoud: niets zal nooit goeie genetica vervangen, en een deel van wat je kweekt zou altijd moeten terugkeren op de professionele cannabis kweker... Diegene die vele generaties gewerkt heeft om van een soortje uiteindelijk hun echte F1 meesterwerkjes te bekomen. Help hen door hun zaden te kopen zo kunnen zij verder werken aan nieuwe sterke soorten voor ons thuiskwekers..
    -------------------------------------

    1 STS

    Preparation of STS:


    Eerst word een voorraad oplossing gemaakt. Het bestaat uit 2 delen (A en B) die eerst apart worden vermengd en uiteindelijk dan samen vermengd.
    Deel A wordt altijd samen gemixed met deel B terwijl je snel roert. Gebruik gedestilleerd water, kraantjeswater kan precipitaten vormen.

    Draag handschoen tijden het mixen en gebruiken van deze chemicaliŽn, en mix en gebruik deze enkel in een deftig geventileerde ruimte. Een masker kan voorkomen dat je een bepaalde stof inademt, die agressief is. STS is kleurloos en geurloos, en betekent een minimum aan risico als je alles toepast zoals hier boven beschreven. Onthoud dat silvernitraat en sts bruine plekken kunnen veroorzaken bij het indrogen, dus spuit over krantenpapier en vermijd morsen.

    Deel A: 0.5 gram zilver nitraat vermengd met 500ml gedestilleerd water
    Deel B: 2.5 gram natriumthiosulfaat (watervrij) vermengd met 500ml gedestilleerd water

    Het zilvernitraat lost op binnen de 15 seconden. Het natriumthiosulfaat heeft ongeveer 30/45 seconden nodig om op te lossen.

    De zilvernitraat oplossing (deel A) word dan vermengd met het natriumthiosulfaat oplossing (deel B) terwijl je goed en snel roert. Het resultaat is een voorraad zilver thiosulfaat oplossing (STS).

    Deze voorraad oplossing wordt vervolgens verdund in een verhouding van 1:9 om een werkende oplossing te maken. Bijvoorbeeld: 100ml STS is toegevoegd aan 900ml gedestilleerd water. Deze oplossing wordt dan verneveld op de geselecteerde vrouwelijke planten.

    De beide producten de voorraad STS zowel als de gemaakte oplossing word best in de koelkast bewaart na gebruik, om activiteits verlies te voorkomen. Teveel aan oplossing kan altijd veilig door het wc gespoeld worden of enige andere afvoer met stromend water met verwaarloosbare gevolgen voor het milieu.

    -------------------------------------

    Gebruikswijze:

    De STS oplossing wordt dan besproeid op de vrouwelijke planten tot het er mooi afdruipt. Doe het sproeien over een krant in een aparte ruimte. Je zal waarschijnlijk niets ruiken maar ventileer toch maar. Nu heb je wat ik een "F>M plant" noem; een vrouwelijke plant die mannelijke bloemen gaat produceren.

    Nadat de F>M plant droog is, plaats je ze direct onder 12/12. Dit wordt meestal 3/4 weken voor de doel datum (om te bestuiven) wanneer de planten klaar zijn om bestuift te worden. Responstijden kunnen enigszins variŽren, afhankelijk van de soort. Meer specifieke tijden kunnen worden bepaald door met uw eigen strain proeven te doen. In mijn onderzoek duurde het 26 dagen voor de eerste pollen. 30-35 dagen lijkt een optimale planning.

    Zo, veronderstel dat je doelplant 3/4 weken nodig heeft om volledig volwassen zaden te produceren, een strain dat 8 weken nodig heeft om volwassen te worden moet in bloei gezet worden op ongeveer dezelfde tijd als de F>M plant. Een doelplant dat afbloeit in 6weken moet dan 10 dagen later in bloei gezet worden zodat ze niet al afgebloeid is voor de zaden volledig volwassen zijn.

    Een afzonderlijke tak die je bestoven hebt mag je altijd iets langer volwassen laten worden aan een plant, je moet ze niet meeoogsten samen met de zaadloze toppen. Laat enkel genoeg bladeren aan de plant zodat ze gezond kan blijven.
    -------------------------------------

    Effecten:

    In enkele dagen zag ik al bladeren vergelen aan de F>M planten. Dit verschijnsel bleef ongeveer 2 weken duren: daarna werden ze langzaam terug groen, buiten enkele grote fan bladeren. Voor de rest leek de plant gezond. Geen verbranding te zien. De groei stopte wel voor 10 dagen, en starte erna terug langzaam. Geen strekken te zien. Na 2 weken vormden de F>M planten duidelijke mannelijke bloemen. Niet enkel een paar ballen maar echte complete mannelijke toppen. 1 plant vormde nog vrouwelijke bloemen, maar in het geheel bekeken was deze overwegend mannelijk.

    Het is vreemd om een oude vriendin die je als de achterkant van je hand kent te zien een seksverandering te ondergaan.

    Als de F>M planten eruit zien alsof zij snel kunnen openen pollen laten vrijkomen, (3-1/2 tot 4 weken) verplaats je hen best naar een aparte ruimte (weg van je bloeiruimte) met licht op 12/12. Je moet niet teveel inzitten over wattages; het is maar tijdelijk.

    Als de pollen vrijkomen verplaats je best je doelplanten bij in de kast zodat ze deze kunnen bestuiven.


    Een meer gecontroleerde aanpak is je F>M planten te isoleren in een derde afzonderlijke ruimte(geen licht is hier nodig, deze zijn nu toch pollen aan het lossen dus zijn ze toch op hun einde). In deze andere ruimte kunnen we de pollen voorzichtig verzamelen met een plastiekzak of een vel krantenpapier. Dan kunnen we onze doelplanten in de bloeiruimte op deze manier bevruchten. Als je het zo doet let wel op dat je pollen van je F>M plant niet mixen of dat ze niet kruis bestuiven. Dus vermijd beweging.

    Let er speciaal op dat deze pollen zich niet verzamelen buiten aan de buitenkant van je zak door statische elektriciteit bv.
    Neem kleine open clusters van de binnen kant van de bloemen in de zak en schud ermee. Ga dan best naar buiten om de overtollige lucht uit de zak vrij te laten. Let hierbij op dat er geen pollen op je kleren of handen terecht komen.

    Nu kan je deze zak voorzichtig over een tak schuiven en dan afbinden rond de tak met een stukje tape of koord, zodat de pollen bij de top opgesloten zit. Laat de zak zich langzaam opvullen met een beetje lucht voor je hem afsluit aan de tak, zodat de tak nog kan "ademen". Deze techniek zorgt ervoor dat je bij een plant verschillende takken kan bestuiven met verschillende pollen van verschillende strains of dat je een deel van de plant ook nog kan oogsten als sensemilla.

    Na 4-5 dagen mag je de zak voorzichtig verwijderen en de plant kan zen bloeicyclus verder vervolledigen.

    Maar gelijk welk van deze wijzes dat je toepast uiteindelijk heb je na 2/4weken rijpen vrouwelijke zaden over.
    -------------------------------------


    Over de chemicalieen:

    Zilvernitraat is een witte kristallijne lichtgevoelige chemische stof die gewoonlijk wordt gebruikt in de fotografie. Het wordt ook gebruikt in de ogen van baby`s bij de geboorte om blindheid te voorkomen. Het kan leiden tot lichte irritatie van de huid, en bruine vlekken. Vermijd inademen. Ik heb geen geur of rook ondervonden maar ventilatie word aanbevolen. Een halve gram STS kost verrassend weinig en zou passen in een gel-capsule.

    Have fun met het testen van deze techniek. Gebruik het met verstand. En bovenal gebruik STS bij kwaliteits F1 zaden geproduceerd door een professionele kweker.

    2 Rodelization (soma)

    In mijn zoektocht naar mooiere milieuvriendelijke manieren voor te werken met cannabisplanten, heb ik een nieuwe manier ontdekt om vrouwelijke cannabiszaden te ontwikkelen. Vrouwelijke zaden ontstaan door stressen niet door genetica. Alle cannabisplanten kunnen en zullen mannelijke bloemen produceren bij stress. Sommige soorten hebben liever een hogere P, sommige een lagere. Sommigen hebben veel voeding nodig anderen dan weer minder. Daar zit veel variŽteit in de cannabis genetica, en je kan niet elke plant gelijk behandelen.
    Als je een bepaalde soort wilt leren kennen neemt het echt een groot aantal kweken in beslag voor je je echt kan zeggen dat je die soort kent. net als je een vriend wil leren kennen, dit neemt veel tijd in.
    Ik groei nu al verschillende strains voor meer dan een decennium en ik begin echt alle nuances te kennen die verschillende planten bezitten. Ik kan ze herkennen van op een afstand. Ik moet wel zeggen dat ik hierbij veel hulp krijg van mijn vrienden, zowel voor het maken van zaden als voor het beter leren kennen van deze heilige plant.
    Ik noemde deze nieuwe methode 'Rodelization' maar een vriend die me hielp te realiseren en gebruik te maken van deze manier om vrouwelijke zaden te maken. Nadat ik dezelfde soort kweekte oogst na oogst onder dezelfde condities, merkte ik dat als ik deze planten 10 tot 14 dagen langer liet staan dan gewoonlijk dat deze mannelijke "bananen" vormde. Een mannelijke banaan is een zeer kleine mannelijke bloem die zich vormt door stress. Normaal laten zij geen pollen vroeg genoeg los om cannabis zaden te maken, maar soms wel. Dit is een soort ingebouwde veiligheid voor de plant, zodat de plant zeker is dat zij zich kan voortplanten ook in extreme condities.
    Voor mij is een mannelijk bloem een zeer mooi gebeuren. Het geeft de mogelijkheid om vrouwelijk zaad te maken. Veel kwekers hebben een natuurlijke angst voor mannelijke bloemen 'bananen'. Ze zien een bloem en willen al direct hun hele oogst weggooien of gaan er met een pincet angstwekkend rond de planten om deze banaantjes te plukken. Ik noem deze 'veiligheids voorzieningen' omdat deze voorkomen bij stress.


    Gebruikswijze:

    Bij de Rodelizaion methode is de mannelijke banaan zeer waardevol. Nadat je je vrouwelijke plant 10/14 dagen langer dan normaal hebt laten bloeien, hang ze op om te drogen, neem ze nadien voorzichtig van de drooglijnen en inspecteer voor bananen. Elke banaan zou moeten verwijdert worden en voorzichtig in een kleine zak geplaatst worden. Deze afgesloten zakken kan je in de frigo bewaren voor 1 tot 2 maand en ze zullen nog steeds potent zijn.
    Voor de tweede fase heb je een oogst nodig dat al 2.5 weken in bloei staat. Neem je gesloten zak uit de frigo, en vervolg je plan om de vrouwelijke toppen te bevruchten. Om dit te doen, moet je eerst de vrouwelijke plant en de pollen van de vorige strain uitkiezen. Dan zet alle vents en fans uit in de ruimte. Neem een kleine verfborstel, dip het in de pollen, en verf het op de vrouwelijke toppen. Doe dit voor iedere strain die je wil samen groeien. Ik heb dit gedaan met 10 verschillende strains in dezelfde ruimte met groot succes.
    Ik gebruik voornamelijk de lager gelegen takken om weed zaad van te maken, de topcola`s laat ik zaadloos om te roken. Deze methode neemt wel tijd in (2oogsten), maar is volledig organisch en zorgt ervoor dat je mooie kwaliteit rookbare weed ook hebt en tegelijkertijd maak je ook vrouwelijke zaden aan. Als je een van die kwekers bent die nooit zaden heeft durven kweken uit angst om niets goed over te hebben om te roken, dan zal je zekers houden van deze manier van werken.

    Je kan natuurlijk ook deze pollen gebruiken om nieuwe kruisingen vrouwelijke zaden te maken, door kruisbestuiving. De oudere vrouwen met de banaantjes kan je ook in de kamer met de jongere vrouwtjes zetten als ze ongeveer 3 weken in bloei zijn. Zet de circulatie fans vollen bak, en de kleine beetjes pollen vinden hun weg wel terug door de kweekruimte. Houdt dit enkele dagen vol en 6 tot 7 weken later heb je 100% rijpe vrouwelijke zaden; niet zoveel als er zouden gemaakt zijn moest er een mannelijk plant bijgestaan hebben maar genoeg om opnieuw te starten ergens met dezelfde genetica.


    Soma


    3 Ethyleen gas

    Behandelen van cannabis zaad met ethyleen gas zorgt ervoor dat de kans op meer vrouwelijke planten verhoogt met ongeveer 50% (volgens sommigen zelfs 100%, wil ik wel es testen desnoods met hempzaad). Ethyleen word geproduceerd door verschillende planten (bv. bananen, komkommers en meloenen), en deze kunnen op een gemakkelijke manier gebruikt worden om cannabiszaad te behandelen.

    Gebruikswijze:

    Ongeveer 2 weken voor je van plan bent om je zaadjes te ontkiemen, steek ze in een papierzak of envelop en steek deze in een plastiek zak samen met de bananenschillen van een nog rijpende banaan of komkommer. Vervang de schillen om de paar dagen samen met de papieren zak zodat je schimmel voorkomt.



    4 ColloÔdaal Zilver

    Wat is ColloÔdaal Zilver?

    ColloÔdaal zilver is zuiver, metallic zilver (het element), met deeltjes van 15 atomen of minder, elk met een positieve elektrische lading en bevestigd aan een molecuul van een eenvoudig eiwit. Deze elektrisch geladen deeltjes van zilver zijn uiterst klein, meestal variŽrend van ongeveer 0.001 tot ongeveer 0,01 micron in diameter, en zijn gesuspendeerd in gedeÔoniseerd water. De kracht van de elektrische lading is sterker dan de kracht van de zwaartekracht, dus de zilveren deeltjes blijven opgeschort.


    Hoe wordt het toegepast?

    De zilverionen in colloidaal zilver reageert als ethyleen remmer/antagonist die de plant forceert om mannelijke bloemen aan te maken die pollen bevatten die enkele vrouwelijke chromosonen bevatten.


    Quote:
    Treatments which reduce the ethylene level in the tissues (hypo-baric conditions, treatment with benzothiodiazole) or antagonize the action of ethylene (CO2) cause the formation of male or bisexual flowers in place of female ones (Byers et al. 1972)


    Wij gebruiken eenvoudigweg een normale lege spuitbus om het op de bladeren te sproeien van een geweten vrouwelijke plant om de pollen op te wekken. Dit kan je doen Met als resultaat 'gefiminiseerde pollen' in tegenstelling tot het regulier stuifmeel bij een man. Als gevolg hiervan, is elk vrouwtje bestoven met de gefeminiseerd pollen een producent van uitsluitend vrouwelijk zaad. We kunnen hier zelfs een moeder voor gebruiken van een 'CLONE-ONLY' strain, zelfs een vrouwelijke plant gegroeid uit feminised zaad. Het enige dat van belang is dat dit een vrouwelijke plant is.

    aanrader om te lezen
    Induction of Fertile Male Flowers in Female Cannabis (Uni paper on feminised seeds)
    H.Y. Mohan Ram and R. Sett. Department of Botany, University of Delhi, Delhi (India)

    Beetje uitgebreider:

    -Wanneer start ik best met sproeien
    Je begint best 2 weken voor de planten op 12/12 gaan en blijven sproeien tot je pollen ziet ontwikkelen.

    -Hoe lang sproeien
    Normaal gezien sproeien we ongeveer 2 weken.
    (eenmaal de plant besproeit, is ze niet langer rookbaar. Dus niet oproken!!)

    -Je kan aan zelfbestuiving doen
    Dit gebeurt ook in de natuur bv. als een plant zeer oud word (rhodelization), waarbij een vrouwelijke plant enkele bananen afgooit om zichzelf te bestuiven. Dit is een soort van species survival mechanism veronderstel ik.
    Je verkrijgt wel niet veel zaad op deze manier en sex tussen twee personen is de norm in het leven, dus persoonlijk probeer ik altijd een 2e vrouwtje als doel voor de mannelijke pollen in de ruimte te plaatsen, en gebruik ik zelfbestoven planten enkel als ik geen andere optie heb.
    Ik vermoed dat mss de zelfbestoven zaden kunnen uitgroeien als een kloon-a-like? Maar daar ben ik niet zeker van.


    -Op welke mogelijke manieren kan dit allemaal falen
    Collodiaal Zilver is zo makkelijk om te maken, gebruiken, en het geeft ons de mogelijkheid om zelfs de nmoeilijkste soortjes te forceren, dus het volledige proces is eigenlijk zeer eenvoudig en zeer effectief als je de basis volgt.. Maar als je dit niet doet, kan het volledig verkeerd zijn.Als je ooit al es CS gebruikt heb maar het niet gelukt is om een plant te reversen, dan is er een goeie kans dat je simpelweg een foutje gemaakt hebt in de procedure.

    -De hoofdproblemen
    - geen gedestilleerd water gebruiken
    - geen zuiver zilver gebruikt 999.999
    - de elektroliese niet lang genoeg laten duren

    -sproeien met een niet sterk genoege oplossing
    -niet genoeg gesproeid (de plant moet volledig doorweekt zijn)
    -niet regelmatig genoeg gesproeid
    -niet lang genoeg gesproeid (sommige soortjes moet je wel es 3 weken sproeien)


    Hoe maak je colloidaal zilver?

    Benodigdheden voor de colloidaal zilver generator:


    1)een DC adapter (9V/ 300mA-800mA).(600mA is optimaal) gedestilleerd water
    2)1/2 quart mayonnaise bokaal 2x 99.99% pure zilver draden , munten, of een zilver bar
    3)aquarium luchtpompje
    4)2 geisoleerde alligator clips
    5)houten plankje van 10cm x 20cm
    6)zaag of zwitsers zakmes
    7)houtlijm
    8)elektrische boormachine en bit
    9)een plastiek deksel voor de mayonaise pot of een rubber elastiek ofzo
    10)een stukje hout


    Maken van de generator

    1)Zaag je houten plankje zodanig dat de bokaal en de adapter erop passen
    2)Zaag het ander houten latje zodanig dat je het van boven over de mayo pot kan plaatsen. Boor 2 gaten 2 cm van elkaar (om de zilverdraden op te houden). Die gaten zouden iets groter moeten zijn dan de diameter van de zilverdraden. Omdat we daar dan die draden gaan doorsteken. Lijm 2 smalle houten plankjes op de uiteinden van het houten latje, zodat het latje past op de bovenkant van de mayonaise pot
    Indien je zilver stukken of bars gebruikt, moet je dit design wel een klein beetje aanpassen.
    3)Knip bij de AC adapter de connector af, niet te kort zodat je toch nog beetje draad over hebt. Strip een 2 tal cm draad af
    4)Bevestig de gestripte draad aan de aligatorklemmetjes
    5)Monteer de generator zoals op de foto
    6)Vul de bokaal met gedestilleerd water tot een paar cm van de top
    7)Sluit de 2 alligator klemmen aan op de zilver draden die uitsteken uit de houten lat, en steek ze door de geboorde gaten in de houten lat op de bokaal.
    8)Sluit de adapter en luchtpomp aan op een timer. Nu ben je klaar om de CS oplossing te maken.
    9)Zet de timer op 8 tot 20uren (8u zou genoeg moeten zijn, maak dat je +30PPM hebt in je oplossing
    10)Let erop dat de pomp en de ac adapter werkt. De pomp kan je horen maar de DC output ga je moeten testen met een voltmeter. De bubbels zorgen ervoor dat de kwaliteit verbeterd van de zilver oplossing. Kleine fuzzy bubbels zullen zich vormen in 1 pool. Een zaklamp kan je helpen om dit te zien.
    11)Nadat dit proces afgelopen is, zeef je je oplossing door een niet gebleekt koffiefilter om kristallen en witte schilfers te verwijderen. Bewaar het elexir in een donkere glazen fles op een koele plaats. Je kan deze enkele maanden bewaren maar het is wel best dat je kleine hoeveelheden maakt zodat je het steeds vers kan gebruiken.
    12)Was de mayonaise bokaal en luchtpomp na ieder gebruik en dan spoelen met gedestilleerd water. Reinig de zilverdraden met een scotchbrite pad tegen onzuiverheden en zilverkristallen, spoelen erna.
    13)Bewaar nadien alles samen op een stofvrije plaats.


    nog enkele manieren om een generator te maken + gebruikswijze: http://www.quantumbalancing.com/makeyourowncs.htm

    Waarom CS gebruiken?
    Goed, u kunt ook gebruik maken van zilver theosulphate (= nitraat + natrium theosulphate), zilvernitraat (zilver + salpeterzuur), of gibberellinezuur, die allemaal succesvol zijn gebleken in deze taak, maar CS is niet giftig , niet-bijtende, gemakkelijk en veilig en goedkoop te maken thuis, vereist geen DEA aanvraagformulier, en is niet een gereguleerde stof. U kunt het zelfs kopen bij uw plaatselijke drogist / apotheek (sommige mensen drinken het voor haar veronderstelde voordelen voor de gezondheid), en het is goedkoop.

    Voor mij, is colloÔdaal zilver ongeŽvenaard. ColloÔdaal zilver werkt als ethyleen remmer / antagonist, wat ons toelaat om het proces te forceren op elk moment we kiezen, zelfs op hard stress-resistente planten (CS maakt geen gebruik van stress om zen magie uit te voeren).

    5 Gibberellinezuur


    Wat is Gibberellinezuur?

    Gibberellinezuur (GA3) is een plantenhormoon, dat de groei en strekking van plantencellen bevordert. Ook beÔnvloedt het de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke bloemen op een plant, bevordert het de vruchtzetting, geeft het grotere bladeren en kan sommige tweejarige planten al in het eerste jaar laten bloeien. Verder stimuleert het de cellen van kiemende zaden om mRNA coderend voor hydrolytische enzymen te vormen en bij sommige zaden met kiemrust (dormantie) kan het toevoegen van gibberellinezuur de kiemrust breken. Het is een van de eenvoudigste gibberellines.
    De naam gibberelline is afgeleid van de schimmelnaam Gibberella fujikuroi. Deze schimmel werd in 1926 door de Japanner Eiichi Kurosawa ontdekt als de veroorzaker van de bakanae-ziekte (domme zaailing ziekte) in rijst. De door de schimmel gevormde gibberelline veroorzaakte een sterke plantengroei waardoor slappe planten met lange internodiŽn (leden) ontstonden. Enkele jaren later werd door Japanse onderzoekers uit de zieke planten twee kristallijne, biologisch werkzame stoffen geÔsoleerd. Deze werden gibberelline A en gibberelline B genoemd. Pas vele jaren later is de werking van gibberellinen pas goed begrepen door het toentertijd gestarte onderzoek van het United States Department of Agriculture (USDA) en door de Imperial Chemical Industries (ICI) in de Verenigde Staten. Tijdens dit onderzoek werden de nieuwe gibberelline X en gibberellinezuur geÔsoleerd. Later bleek gibberelline X een mengsel te zijn van gibberelline A en gibberellinezuur. Bij verdergaand onderzoek in Japan bleek gibberelline A te bestaan uit de drie verwante stoffen gibberelline A1, gibberelline A2 en gibberelline A3. Gibberellinezuur bleek gelijk te zijn aan GA3.
    Er zijn meer dan 110 verschillende gibberellines (GA1 ... GA110), waarvan er slechts enkele in planten actief zijn, zoals GA1, GA3 en GA7.
    Zeer lage concentraties hebben al een groot effect, maar te hoge concentraties werken juist remmend.

    Hoe wordt het toegepast?

    Stap 1)
    Plant zoveel mogelijk plantjes. Je kan het met 20 plantjes proberen, maar als je een effectief resultaat wilt boeken, zal je het met een 1000tal moeten doen.

    Stap 2)
    Laat je plantjes wat groeien. Pakweg een weekje of twee laten groeien. Zeker nog niet in bloei zetten! Geen 12/12 cyclus maar een gewone groei cyclus zoals 18/6!

    Stap 3)
    Onderzoek je plantjes een voor een onder de microscoop. De sleutel hier is geduld. Bij ieder plantje zoveel mogelijk cellen bekijken en kijken of er XY chromosomen bij zitten.
    Zo ziet een XY chromosomenpaar er uit:


    Deze planten moet je apart zetten. Het doel is dat je op zoek gaat naar een plant met 100% XX chromosomenparen (dit zijn de vrouwelijke)

    XX => vrouw
    XY => man

    Als je deze plant gevonden hebt (uit de 1000 plantjes ga je er nog geen vinden die 100% vrouwelijk is, maar rond de 99% zou wel moeten lukken. 100% is theoretisch mogelijk maar in de praktijk niet) dan ga je nr stap 4.

    Stap 4)
    Zet je 100% vrouwelijke plant in bloei. Als het bloeimoment juist is (dwz dat het moment van optimale bevruchting bijna is aangebroken) dan spuit je een oplossing Gibberrelinezuur van 0,00X per liter water.

    De 0,00X oplossing is dus een oplossing van 0,00x g Gibberrelinezuur in een liter water. De X is onbekend. Hier moet je zelf mee experimenteren.
    Als ik afga op wat ik al gelezen heb hierover kan je best de gulden middenweg nemen en gewoon 0,005 g per liter doen.

    Als iemand informatie heeft over nauwkeurigere verhoudingen zou dit wel interessant zijn.

    De theorie achter dit zuur:
    Gibberrelinezuur zorgt ervoor dat er een verandering in hormoonsverhoudingen optreed.
    Kort gezegd:
    De buds van je plant worden beÔnvloed door dit zuur en veranderen hun verhouding van 99% vrouwelijk naar ... % mannelijk.
    Deze mannelijke bloemen zorgen ervoor dat de plant zelf bevrucht wordt.

    Doordat de plant 99% vrouwelijk is, zal hij ook 99% vrouwelijke zaadjes produceren.

    zie: Produceren van vrouwelijke zaden
    Last edited by Weedy; 24th August 2010, 15:22.
    Q. If there are two potheads in the back of a car, then who is driving?

    A. The cop!

    #2
    Re: Vrouwelijke zaden kweken

    Plant sex determination and sex chromosomes

    D Charlesworth1
    1Institute of Cell, Animal and Population Biology, University of Edinburgh, Scotland, UK
    Correspondence: D Charlesworth, Institute of Cell, Animal and Population Biology, University of Edinburgh, Ashworth Laboratory King's Buildings, West Mains Road., Edinburgh EH9 3JT, UK. E-mail: Deborah.Charlesworth@ed.ac.uk

    Abstract

    Sex determination systems in plants have evolved many times from hermaphroditic ancestors (including monoecious plants with separate male and female flowers on the same individual), and sex chromosome systems have arisen several times in flowering plant evolution. Consistent with theoretical models for the evolutionary transition from hermaphroditism to monoecy, multiple sex determining genes are involved, including male-sterility and female-sterility factors. The requirement that recombination should be rare between these different loci is probably the chief reason for the genetic degeneration of Y chromosomes. Theories for Y chromosome degeneration are reviewed in the light of recent results from genes on plant sex chromosomes.



    Introduction: why are plant sex chromosomes of particular interest?

    The genetic control of sex determination is becoming well understood in several animal systems, particularly Drosophila melanogaster, Caenorhabditis elegans and mammals. In plants, understanding the sex determination system is closely connected with understanding how separate sexes evolved, and current theoretical ideas about this also illuminate the evolution of sex chromosomes. Angiosperms are also of particular interest for empirical studies of sex chromosome evolution, because they probably evolved separate sexes repeatedly and relatively recently. Other plants, particularly Bryophytes (see Okada et al, 2001), also have interesting independently evolved sex chromosomes.
    In many sexually reproducing plant species (and some animals) all individuals are essentially alike in their gender condition. Many such 'sexually monomorphic' species are hermaphroditic. The term 'cosexual' (Lloyd, 1984) is used when individual plants have both sex functions, whether present within each flower (hermaphrodite), or in separate male and female flowers (monoecious). A minority of plant species are 'sexually polymorphic', including dioecious species, with separate males and females (Table 1). Many dioecious species with hermaphrodite relatives have evident rudiments of opposite sex structures in flowers of plants of each sex, suggesting recent evolution of unisexual flowers (Darwin, 1877). The low frequency and scattered taxonomic distribution of dioecy and sex chromosomes suggest that cosexuality is the ancestral angiosperm state (Figure 1) (Charlesworth, 1985; Renner and Ricklefs, 1995. Sex chromosomes therefore probably evolved repeatedly and quite recently.
    Figure 1.


    The wide taxomic distribution of dioecy and sex chromosomes in angiosperms, based on the phylogenetic analysis of Soltis et al, (1999). Presence of dioecy is indicated by X inside a square. Filled symbols indicate taxa in which sex chromosomes have been studied. Black indicates the presence of species in which heteromorphic sex chromosomes have been found, either cytologically or by genetic mapping, and grey indicates that sex chromosomes are believed to be absent.



    Table 1 - Sex and gender systems of sexually reproducing flowering plants.




    In some plant taxa, it is possible to estimate how many times dioecy has evolved, and how long ago. Dioecy probably evolved twice in the Hawaiian genus Schiedia (Weller et al, 1995). The best studied case at present is the large genus Silene, in the same family (Caryophyllaceae). Many Silene species are gynodioecious and others are hermaphroditic. A phylogeny constructed from internal transcribed spacer (ITS) sequences of nuclear ribosomal RNA genes of Silene species suggests two origins of dioecy in this genus also (Desfeux et al, 1996). Using a molecular clock, these data suggest an age of probably less than 20 million years for the heteromorphic sex chromosomes of the close relatives Silene latifolia and S. dioica. Comparative analysis suggests that dioecious lineages often have short evolutionary lives (Heilbuth, 2000). Thus separate sexes may have evolved more than 100 times in the flowering plants, given that 160 families have dioecious members.

    The genetics of sex determination in plants, and plant sex chromosomes

    Sex inheritance and sex chromosomes in plants are strikingly similar to those in animals. The majority of plants studied have heterozygous males, or, when the chromosomes are visibly different (perhaps half of plants that have separate sexes, see Westergaard, 1958), male heterogamety (XY males, XX females). In many dioecious plants, males are 'inconstant', ie produce occasional fruits (Lloyd, 1975b; Lloyd and Bawa, 1984). Self fertilisation of such plants in several species has provided genetic evidence that males are heterozygous. As will be explained below, the male genotype must include a dominant suppressor of femaleness (SuF). On selfing, a 3:1 ratio of males to females is expected if SuF/SuF is viable, or 2:1 if the Y chromosome is genetically degenerated and this genotype is inviable. Each of these ratios has been found (Westergaard, 1958; Testolin et al, 1995). Some plant Y chromosomes are therefore at least partially genetically degenerate.
    Several kinds of evidence suggest the involvement of two loci in sex determination. Some data come from crosses between dioecious plants and related monoecious or hermaphrodite species (Westergaard, 1958). In Silene dioica and latifolia, there is direct evidence from cytological studies of Y chromosome deletions. There are three functionally different Y chromosome regions (see Figure 2), the SuF region, and two regions containing factors controlling early and late anther development (Westergaard, 1958; Grant et al, 1994; Farbos et al, 1999; Lardon et al, 1999). In these species, X and Y pairing in male meiosis is confined to the tips (Westergaard, 1958; Parker, 1990; Lardon et al, 1999), and recombination is absent for most of the Y chromosome.
    Figure 2.


    The Silene latifolia Y chromosome, showing genes and anonymous markers that have been identified. The deletions causing hermaphroditism (bsx mutations), and those causing complete sterility (ie early-stage anther abortion) of Y-bearing plants (asx mutations), as well as the X-43 subtelomeric sequence, are described in Farbos et al (1999) and Lardon et al (1999), and the Bgl markers are described in Donnison et al (1996). The locations of the S1X4 and S1X1 loci are inferred from the finding of a male-sterile plant (with anthers aborted late in stamen development) which has no copy of S1X4 detectable by PCR, but which appears to carry a Y chromosome, since S1X1 is present (DA Filatov, unpublished data). The estimate of a recombination fraction of 30Ė40% between S1X1 and S1X4 is based on unpublished data of V Laporte and V Hykelova.




    Why are sex determining loci linked?

    The evidence for multiple sex determining genes suggests that non-recombination between the X and Y chromosomes evolved to prevent recombination between these loci, since recombination would produce maladaptive phenotypes, particularly neuter individuals (Figure 3b; Lewis, 1942). It is widely assumed that the linkage evolved after establishment of unlinked male and female sterility genes, ie that these loci have been brought into proximity by inversions and/or translocations (Lewis, 1942). A genetic model of the evolutionary transition from cosexuality to dioecy suggests, however, that linkage may often be necessary from the outset (Charlesworth and Charlesworth, 1978a). Starting from cosexuality, the evolution of two sexes must generally require at least two genetic changes, one (male-sterility) creating females and the other (female-sterility) producing males (Figure 3a, Charlesworth and Charlesworth, 1978a). The process may sometimes have been more gradual, with partial sterility mutations (Lloyd, 1975a; Charlesworth and Charlesworth, 1978b). Plants and animals with a single sex-determining determining locus are probably often derived from systems with male-determining chromosomes (Bull, 1983; Traut and Willhoeft, 1990), as separate sexes cannot evolve in a single mutational step from an initial hermaphroditic or monoecious state (except under the extremely improbable assumption that a mutation arises in a cosex whose heterozygotes have one sex, and homozygotes the other sex, eg Aa male and aa female).
    Figure 3.

    (a) The possible genetic changes that could occur in the transition from cosexual to separate sexed populations. (b) Effects of a female-sterility 'modifier' allele on hermaphrodites and females, in the absence of sex-limitation of its phenotypic effects. A trade-off between male and female functions is assumed, so that a gene increasing male fertility will often have the effect of reducing female fertility.



    The existence of inconstant males (but not females) in many dioecious species (eg Galli et al, 1993; Testolin et al, 1995) supports this scenario of a major recessive mutation leading to females, followed by selection for modifiers making the cosexes more male, as in Figure 3. Once females have been established in a population, the availability of their ovules favours higher investment in pollen output, so there is a selective pressure on the cosexual morph to evolve a greater male bias (Charlesworth and Charlesworth, 1978a). Modifier genes that make cosexes more male-like should, however, also reduce female fertility (Figure 3b), unless they are sex-limited in their expression. This counter-selects against such factors, so partial female-sterility factors are generally most likely to spread in a gynodioecious population if they are linked to the male-sterility gene (Charlesworth and Charlesworth, 1978a; Nordborg, 1994). The spread of alleles beneficial in one sex but not in the other (antagonistic pleiotropy) similarly depends on linkage (Charlesworth and Charlesworth, 1980; Rice, 1997). There will also be selection for tighter linkage between the male-sterility locus and modifier loci (Charlesworth and Charlesworth, 1978a). Thus a cluster of linked loci in a particular chromosomal region, with suppressed recombination, and containing the sex determining loci and loci affecting male functions, will probably evolve.
    Sex-linked markers should permit tests of whether the region involved in sex determination in dioecious species is also a single chromosomal location in cosexual relatives, or whether the sex determining genes were initially on different chromosomes, and only later came into proximity. All diploid Silene species have the same chromosome number (n = 12), suggesting that translocations of whole chromosomes have not contributed to the enlarged X and Y, though movements of lesser genome regions are possible.

    Evolution of sex chromosomes

    The theory outlined here explains the evolution of a rarely recombining chromosome region containing the sex determining genes, an incipient sex chromosome system. The female haplotype carries a recessive male-sterility allele, while the dominant male-determining chromosome would carry female-sterility alleles (and the wild-type allele at the male-sterility locus; Figure 3). Sex chromosome evolution is intimately connected with Y chromosome degeneration. Most current understanding of how the distinctive properties of Y chromosomes evolved comes from theoretical work on the evolution of genomic regions with low recombination. Such regions are subject to several processes, given a sufficiently high rate of deleterious mutations (Charlesworth and Charlesworth, 2000).
    One process is mutation accumulation by Muller's ratchet (Muller, 1964; Haigh, 1978), leading to an increasing number of mutations, which become fixed as the process continues (Charlesworth and Charlesworth, 2000). Drosophila population sizes may be too high for this stochastic process to explain neo-Y chromosome degeneration (Charlesworth, 1996), and most plants have more chromosomes, and therefore fewer genes on a proto-Y chromosome than on a Drosophila chromosome, so in plants the mutation rate to deleterious alleles may be too low. Another possibility is hitch-hiking: favourable mutant alleles arise on the proto-Y and rise in frequency to fixation, concomitantly fixing deleterious alleles on the same chromosome (Rice, 1987). A third suggestion relies on accelerated fixation of deleterious mutations on a non-recombining chromosome (because selection against deleterious alleles leads to reduced effective population size; Charlesworth, 1996). All these processes involve reduced effective population size, and should therefore lead to low Y-chromosomal genetic diversity (Charlesworth and Charlesworth, 2000).
    The relatively recent origin of plant Y chromosomes, compared with those of most animals, make dioecious plants particularly suitable for studying the early stages of the degeneration process. The availability of closely related species, probably with chromosomes having gene content similar to that of the ancestral sex chromosomes, should show how genes have evolved since becoming sex-linked, offering a system to test between the different hypotheses. Most animal Y chromosomes degenerated long ago, making the processes responsible inaccessible to study, except in species with translocations between the sex chromosomes and autosomes. In species with X-autosome translocations, the neo-Y is not physically attached to the pre-existing Y chromosome, so its degeneration may result largely from the same kind of processes as in the initial evolution of Y chromosomes, but this is not certain. In plants, however, a there is de novo evolution of Y chromosomes. If plant, as well as animal Y chromosomes have degenerated, this would be evidence that the process is very general.

    Have plant Y chromosomes degenerated?

    Before using plants to study genetic degeneration, we need to know if their Y chromosomes are indeed degenerating. The evidence from the best studied species suggests some degeneration. Rumex acetosa Y chromosomes are heterochromatic (Clark et al, 1993; Rťjon et al, 1994; Lengerova and Vyskot, 2001). On the other hand, DNAse digestion experiments suggest transcriptional activity of this Y chromosome (Clark et al, 1993), though this could be due to the presence of dispersed repetitive sequences that are transcribed, such as transposable elements. The high frequency of chromosome rearrangements in this species (Wilby and Parker, 1988), and variability of its Y chromosome morphology (Wilby and Parker, 1986), are consistent with such a possibility, but it has not yet been tested. Some X-linked mutations are not masked by the Rumex Y chromosome (Smith, 1963), ie males are hemizygous for this region, like classical sex-linked loci in many animals.
    In Silence latifolia, the two X chromosomes differ in the time of replication, as might be expected if one of them is transcriptionally silenced, and they appear to be differentially methylated, possibly indicating that dosage compensation is occurring by X inactivation in females (Vyskot et al, 1999). Gene expression from Y chromosomes is suggested by estimates of methylation levels (Vyskot et al, 1993), which may imply that many Y-linked genes have not degenerated greatly, if at all (though again the possibility of transposons cannot be excluded). The large size of the Y chromosomes in S. latifolia and dioica (Costich et al, 1991) and many other dioecious plants (Parker, 1990), also suggests that plant Y chromosomes have accumulated repetitive sequences, which have been found on Y chromosomes of S. latifolia (Donnison et al, 1996; Zhang et al, 1998; Lardon et al, 1999) and R. acetosa (Rťjon et al, 1994). So far, however, abundances are mostly similar on the X and autosomes (Clark et al, 1993; Donnison et al, 1996; Scutt and Gilmartin, 1997). Thus the evidence is inconclusive, and the nature and range of kinds of such sequences is currently almost totally unknown.
    In most studied species with heteromorphic sex chromosomes YY genotypes are inviable (see above), as are androgenic haploid plants of S. latifolia, with only a Y chromosome (Ye et al, 1990), while X-haploid plants are viable. However, the viability and fertility of occasional YY dihaploids (Vagera et al, 1994) argues against complete loss or inactivation of genes, presumably because increased gene dosage permits survival. Finally, female biased sex ratios in both S. latifolia (see Correns, 1928, but also Carroll, 1990) and Rumex acetosa (Smith, 1963; Wilby and Parker, 1988) as well as other dioecious species suggest that pollen grains with Y chromosomes grow more slowly than X-bearing pollen. This suggests that plant Y chromosomes have reduced gene functions (Smith, 1963; Lloyd, 1974), though segregation distortion has not been ruled out (Taylor, 1994).

    Molecular genetics of plant Y chromosomes

    Our understanding of the evolution of plant sex chromosomes and sex determination should be advanced by the use of molecular markers, so several groups are searching for these. The region containing the sex determining loci must initially have been fully homologous between the two alternative chromosomes. One goal of studies of plant sex chromosomes is therefore to test for homology. Both X- and Y-linked markers are now being discovered in plants with and without heteromorphic sex chromosomes (eg Testolin et al, 1995; Harvey et al, 1997; Polley et al, 1997; Zhang et al, 1998; Mandolino et al, 1999). Most markers are, however, anonymous, and cannot tell us which X-linked loci have homologues on the Y chromosomes and which do not.
    Isolation of male-specific cDNAs from developing flower buds or reproductive organs has not yet led to discovery of sex determining genes (Matsunaga et al, 1996; Barbacar et al, 1997), probably because sex-determination happens very early in flower development (Grant et al, 1994), so the genes identified are controlled in response to sex, rather than the controlling loci. Genes known to be important in floral development, including the homoeotic MADS-box genes also appear not to have direct roles in sex determination (Hardenack et al, 1994; Ainsworth et al, 1995). This is not surprising, as these mutations change floral organ identities, whereas in unisexual flowers apparently normal reproductive organs merely stop developing, as predicted by the genetic model above.
    Both X- and Y-linked expressed loci have now been identified in S. latifolia. One approach is to directly search for sex-linked genes (Guttman and Charlesworth, 1998). This has identified the X-linked MROS-X (male reproductive organ specific) gene and its Y-linked homologue, MROS3-Y, which appears to have degenerated. MROS3-Y contains only a short region of homology to the MROS3-X sequence. This region has been evolving in a neutral manner, with a ratio of silent to replacement substitutions, Ka/Ks, of 0.974, close to unity, as expected for a sequence evolving without selective constraints (Nei, 1987).
    Another approach has isolated Y-linked genes present in mRNA populations from S. latifolia male flower buds. Two gene pairs have so far been characterised. Based on sequence similarity to other genes, the SlX/Y1 pair appears to encode a WD-repeats protein (DelichŤre et al, 1999) and SlX/Y4 a fructose-2, 6-bisphosphatase (Atanassov et al, 2001), and neither is likely to be involved in sex determination. The recombination fraction between SlX1 and SlX4 (Figure 2) suggests that they are far apart on the X, and potentially also on the Y chromosome, unless this has been rearranged. Comparisons of the coding sequences of these X-and Y-linked genes, including outgroup sequences in non-dioecious Silene species, yield Ka/Ks < 0.2 (Atanassov et al, 2001). The protein sequences of both the Y- and X-linked genes have therefore been maintained for at least most of their evolutionary history since the X and Y ceased recombining, ie these Y-linked genes have not degenerated. Silent site divergence between SlX4 and SlY4 is similar to that between the X- and Y-chromosome copies of MROS3, and both suggest an age estimate of the sex chromosome system similar to that based on the ITS sequences (Desfeux et al, 1996). The SlX1 and SlY1 genes are considerably less diverged. It will be very interesting to study more X/Y-linked gene pairs to test whether the Y chromosome seems to have been built up in a stepwise manner, as seems to be true of the human Y (Lahn and Page, 1999; Waters et al, 2001).
    If the Y chromosomes of dioecious Silenes are actively degenerating, Y-linked genes are predicted to have reduced diversity, and we can use patterns of diversity at non-degenerated loci (such as those just described) to test for selective sweeps. In samples from several S. latifolia and S. dioica populations, SlY1 diversity is indeed lower than that of SlX1, after correcting for the smaller number of Y than X chromosomes in populations (Caballero, 1995). Analysis using outgroup sequences shows that this is not due to a higher mutation rate of the Y-linked genes (Filatov et al, 2001). Tests such as Tajima's test do not suggest selective sweeps (Filatov et al, 2000, 2001). However, these tests are affected by subdivision (Schierup et al, 2000), for which there is evidence in these species (McCauley, 1994; Giles et al, 1998; Ingvarsson and Giles, 1999; Richards et al, 1999), which probably affects the Y chromosome more than other chromosomes, because of its smaller effective size (Wang, 1999). Larger samples from within single populations are therefore needed. It is also difficult to test for diversity differences in the presence of introgression between the two Silene species. Y-chromosome variants differ between the two species, whereas some X-linked variants are shared between them (Filatov et al, 2001). A final difficulty is that autosomal loci are also needed in order to know whether Y-chromosomal variation is reduced, or X-linked diversity elevated. The one autosomal locus so far studied has low diversity, but this does not point to increased X-linked diversity, because this gene appears to have experienced a selective sweep (Filatov et al, 2001), so more autosomal genes are needed. Comparisons are also needed with species whose Y-chromosome is fully degenerated. If low diversity is also found in these, it would point to causes such as mutation rate differences, rather than effects of the selective processes during genetic degeneration.

    Discussion

    With the availability of molecular techniques, we may now hope to understand more about how sex chromosomes evolve. Mapping data, even with anonymous markers, should give estimates of the fraction of X-linked loci that are located in the pairing and differential regions. In the absence of useful chromosome banding patterns that identify regions, single-copy anonymous markers can also be useful for mapping in combination with Y-chromosome deletions (Donnison et al, 1996). Deletion mapping of the Y chromosome does not precisely pinpoint the sex-determination loci, but it should be possible to define the regions in which these genes are located Figure 2 summarises current information about the S. latifolia Y.
    Once genes have been identified and sequenced, we will be able to estimate how long sex chromosome evolution takes. This should help us evaluate the plausibility of the proposed mechanisms for the process. The results of such studies may, in turn, contribute to our knowledge of mutation rates to deleterious mutations, and to a growing body of understanding of evolution in the absence of recombination. Studies of the early stages of sex chromosome degeneration offer the potential to have a eukaryote version of the interesting results on genome degradation in asexual prokaryotes (Wernergreen and Moran, 1999). If, as appears likely, plant sex chromosomes are found to be only partially genetically degenerated, they may offer opportunities to help understand the relationship between the evolution of genetic degeneration and of dosage compensation.
    Last edited by Jointjedraaien; 17th April 2010, 22:37.
    Q. If there are two potheads in the back of a car, then who is driving?

    A. The cop!

    Comment


      #3
      Re: Vrouwelijke zaden kweken

      mooie topc Fifi je hebt er veel tijd ingestoken zo te zien. mooie aanvulling op het forum.
      Last edited by Jointjedraaien; 17th April 2010, 22:33.
      Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd.

      Comment


        #4
        Re: Vrouwelijke zaden kweken

        deel 4 ook afgewerkt
        Last edited by Jointjedraaien; 17th April 2010, 22:33.
        Q. If there are two potheads in the back of a car, then who is driving?

        A. The cop!

        Comment


          #5
          Re: Vrouwelijke zaden kweken

          ok volledig afgewerkt
          Last edited by Jointjedraaien; 18th April 2010, 11:02.
          Q. If there are two potheads in the back of a car, then who is driving?

          A. The cop!

          Comment


            #6
            Re: Vrouwelijke zaden kweken

            hehehehe
            deftig
            wat een brok
            hier ga'k me eens een keertje deftig voor zetten met een sigaar
            thanx
            grtz
            Last edited by Jointjedraaien; 17th April 2010, 22:33.

            Comment


              #7
              Re: Vrouwelijke zaden kweken

              Moet het nog eens goed onder de loep nemen fiefman...maar mooi werk dat je hier geleverd hebt kerel. 5 sterretjes for sure!!!
              Grtz $iR
              Last edited by Jointjedraaien; 17th April 2010, 22:33.
              sigpic

              Comment


                #8
                Oorspronkelijk geplaatst door Deerriz View Post
                hehehehe
                deftig
                wat een brok
                hier ga'k me eens een keertje deftig voor zetten met een sigaar
                thanx
                grtz
                2nd to that!

                Comment


                  #9
                  Re: Vrouwelijke zaden kweken

                  3 Ethyleen gas

                  Behandelen van cannabis zaad met ethyleen gas zorgt ervoor dat de kans op meer vrouwelijke planten verhoogt met ongeveer 50% (volgens sommigen zelfs 100%, wil ik wel es testen desnoods met hempzaad). Ethyleen word geproduceerd door verschillende planten (bv. bananen, komkommers en meloenen), en deze kunnen op een gemakkelijke manier gebruikt worden om cannabiszaad te behandelen.

                  Gebruikswijze:

                  Ongeveer 2 weken voor je van plan bent om je zaadjes te ontkiemen, steek ze in een papierzak of envelop en steek deze in een plastiek zak samen met de bananenschillen van een nog rijpende banaan of komkommer. Vervang de schillen om de paar dagen samen met de papieren zak zodat je schimmel voorkomt.
                  ------------------------------------------------------------------

                  Iemand al ervaring met deze manier?
                  Dit lijkt me inderdaad een eenvoudige methode om eens uit te proberen.
                  complimenten voor de topic, dikke duidelijke info, alles op een rijtje...

                  thnx

                  Comment


                    #10
                    Re: Vrouwelijke zaden kweken

                    ey Smokin Fifi

                    heel mooi en duidelijk topic

                    thnx!

                    greetz knockie

                    Comment


                      #11
                      Re: Vrouwelijke zaden kweken

                      Oorspronkelijk geplaatst door dokkie View Post
                      3 Ethyleen gas

                      Behandelen van cannabis zaad met ethyleen gas zorgt ervoor dat de kans op meer vrouwelijke planten verhoogt met ongeveer 50% (volgens sommigen zelfs 100%, wil ik wel es testen desnoods met hempzaad). Ethyleen word geproduceerd door verschillende planten (bv. bananen, komkommers en meloenen), en deze kunnen op een gemakkelijke manier gebruikt worden om cannabiszaad te behandelen.

                      Gebruikswijze:

                      Ongeveer 2 weken voor je van plan bent om je zaadjes te ontkiemen, steek ze in een papierzak of envelop en steek deze in een plastiek zak samen met de bananenschillen van een nog rijpende banaan of komkommer. Vervang de schillen om de paar dagen samen met de papieren zak zodat je schimmel voorkomt.
                      ------------------------------------------------------------------

                      Iemand al ervaring met deze manier?
                      Dit lijkt me inderdaad een eenvoudige methode om eens uit te proberen.
                      complimenten voor de topic, dikke duidelijke info, alles op een rijtje...

                      thnx
                      We gaan het eens uittesten of dat idd zo is.

                      P1040147.jpg

                      Comment


                        #12
                        Re: Vrouwelijke zaden kweken

                        en heeft iemand het ethyleen gas al geprobeerd???

                        Comment


                          #13
                          Re: Vrouwelijke zaden kweken

                          Yep, da's al gedaan in een verslag op JD, overigens, niet resulterend in het gewenste resultaat als ik het me goed herinner.
                          Zie je dat berichtje boven de jouwe ?
                          Even de kweekverslagen van Monty doorspitten dus.
                          Howto: meerdere foto's uploaden en tussen je bericht plaatsen
                          ~ 2011-12 ~ 2012-13 ~ 2017 ~ 2014-15-16-17-18 ~

                          Comment


                            #14
                            Re: Vrouwelijke zaden kweken

                            haha ok word idd ff spitten dan thnx voor je reactie

                            Comment


                              #15
                              Re: Vrouwelijke zaden kweken

                              Ben van plan om eerst een ronde te gaan kweken voor een voorraadje om daarna een ronde te kunnen gaan draaien voor feminised zaad door middel van colloidaal zilver heb al wat info opgezocht over het gebruik ervan maar het enigste wat ik niet kan vinden is hoe vaak je moet sproeien per dag om het gewenste resultaat te bereiken??
                              Als ik wil kan ik 35 planten kwijt in me hok dus als het goed werkt houd ik er een aardige voorraad feminised zaad aan over.

                              als iemand mij verder kan helpen hoor ik het graag

                              greetz

                              Comment

                              Footer Left Ad

                              Collapse
                              Bezig...
                              X