Mededeling

Collapse
No announcement yet.

Je dames lekker betasten blijkt goed te zijn!

Collapse
X
 
  • Filter
  • Tijd
  • Geef Weer
Clear All
new posts

    Je dames lekker betasten blijkt goed te zijn!

    Korting op 420shop
    Geinig artikel kwam ik tegen op dailyscience.com

    Nu weet ik dat sommige mensen niet zo goed Engels kunnen. Geen probleem! Ik zal het hier uit proberen te leggen, in het kort. Kun je wel (goed) Engels? Klik dan gewoon het artikel aan, onderaan

    Een plant maakt afweerstoffen aan tegen beestjes, schimmels en andere aanvallers. Vaak doen ze dit pas wannéér ze aangevallen worden. Maar die verhoging in afweerstof kan soms blijvend zijn. Iedere plant doet het, tomatenplanten signaleren bijvoorbeeld sluipwespen wanneer ze rupsen hebben (Quest 2006? Is ook wel te vinden op wikipedia, overigens). In het geval van slakken bijvoorbeeld, maakt de tabaksplant meer nicotine aan. Waardoor de meeste insecten maar ook slakken na een paar bezoekjes, spontaan het loodje leggen. Echter, zijn er nog wel meer dan 400 andere soorten afweer. Nu komt het interessante gedeelte: ook tegen schimmels! Dus. Maar je wilt natuurlijk geen schimmels op je planten gaan occuleren om die afweer op te bouwen. Hoeft ook niet, zo blijkt uit een onderzoek van BioMed. Het gaat hier om een specifieke soort planten, maar ik vermoed ten zeerste dat het ook best bij wiet zou kunnen werken! Die hebben immers ook een afweersysteem voor vanalles en nog wat. Planten reageren vaak hetzelfde op bepaalde stressprikkels namelijk. Met name mechanische prikkels (wind; buigen, breken, etc.).
    Uit het onderzoek komt naar voren dat wanneer men af en toe eens lekker aan de blaadjes loopt te friemelen, of over het stammetje wrijft, dat de plant een betere weerstand opbouwt tegen met name botrytis. Dat is een andere naam, die ik maar steeds verkeerd blijf typen, voor toprot. Ik zal verder blijven zoeken naar een publicatie van dit onderzoek, maar dat kan best nog wat jaren duren. Vooralsnog moeten we 't hebben van proeven in het veld, dus ga je gang en rapporteer!

    Nu hebben we weer een excuus om constant lekker aan onze planten te gaan zitten frummelen, zie het als een therapeutische massage met happy end. Goed voor body and soul en alle reclame-termen die je erbij kunt bedenken.

    Hier het hele artikel:
    Forget talking to plants to help them grow, gently rubbing them with your fingers can make them less susceptible to disease, a new article reveals. Gently rubbing the leaves of thale cress plants (Arabidsopsis thaliana) between thumb and forefinger activates an innate defense mechanism, scientists report. Within minutes, biochemical changes occur, causing the plant to become more resistant to Botrytis cinerea, the fungus that causes grey mould. 

    Hier de bron daarvan, volgens mij:
    Een wijs man zei ooit: Als je iets niet kunt vinden over wiet kweken, dan wil je het blijkbaar niet graag genoeg weten.
    Rommeltopic. Buiten2016. Buiten2015. Buiten2014.

    #2
    Re: Je dames lekker betasten blijkt goed te zijn!

    GENIAAL lekker over t stammetje wrijven haha dacht dat t vrouwtjes waren

    Comment


      #3
      Re: Je dames lekker betasten blijkt goed te zijn!

      Dus niet alleen praten (of muziek) voor de planten maar ook lekker "knuffelen"

      Lopen verslag: McPurple S1 Fem van Forum Genetics op DWC met GHE FloraNova onder 400W Cree COBs

      Comment


        #4
        Re: Je dames lekker betasten blijkt goed te zijn!

        kijk, geen reden voor verdere terughoudendheid. Nu alleen nog uitzoeken hoe lang precies de optimale aanloop is voor het tussen de planten duiken.

        "najaa, sta ik dit bevruchte vrouwtje te masseren, stort ze spontaan in één keer haar zaad over m'n vingers!"
        Society is like stew-if you don't keep it stirred up, you end up with a lot of scum on the top

        Comment


          #5
          Re: Je dames lekker betasten blijkt goed te zijn!

          Stammetjes wrijven (bij planten) doe ik om de geur alvast te ruiken, de terpenen en misschien wel terpenoïden in mijn reukslijmvlies op te nemen zeg maar.
          Grappig te lezen dat het geen kwaad kan, wrijf ik volgende keer wat langer
          ~ 2011-12 ~ 2012-13 ~ 2017 ~ 2019 ~ 2020 ~ BuitenQweeksels ~

          Comment


            #6
            Re: Je dames lekker betasten blijkt goed te zijn!

            HAHAHA ben ik blij, ben dus niet de enige freak !! vind het fijn om aan planten te ruiken en de toppen te voelen en het aroma in me op te nemen !!! je weet dan ook welke plant veel belovend is , smaak en geur in je opnemen !!! mijn vrouw vind ons perverse mannetjes !!! Maar ik kan het niet laten !! planten die een aroma hebben dat tegen staat , vallen later ook tegen als je ze rookt!!! grtz budha

            Comment


              #7
              Re: Je dames lekker betasten blijkt goed te zijn!

              Oorspronkelijk geplaatst door QnQ View Post
              Stammetjes wrijven (bij planten) doe ik om de geur alvast te ruiken
              Doe ik ook altijd. Geen gevinger aan toppen maar even stammetje wrijven en snuffelen. Heerlijk vind ik dat
              Society is like stew-if you don't keep it stirred up, you end up with a lot of scum on the top

              Comment


                #8
                Maar maak ze niet kwaad hè,..
                Na een stuk uit LR2 buitengrow te hebben gelezen, een tijd terug het volgende gevonden ,......

                Dit stuk komt van ,Wetenschap.infonu.nl

                Slimme en gevoelige planten


                In 1880 verschijnt een boek waarin planten niet de passieve wezens zijn waarvoor ze door velen worden aangezien. In zijn boek over de kracht van beweging bij planten toont de oudere Charles Darwin een passie voor de zintuiglijke kwaliteiten van planten. Hij ontfermt zich over fototropisme (beweging naar het licht) en andere beweeglijke activiteiten in het plantenrijk. Samen met zijn zoon Francis wijdt Charles zich aan talrijke experimenten die vooral wortel en kiemwortel betreffen. Hij gaat ervan uit dat wortels niet enkel planten voeden, maar tevens zintuiglijke organen zijn om licht, vochtigheid, zwaartekracht en druk te bepalen en op basis daarvan een gunstig traject voor de wortelgroei uit te stippelen. Zijn aandacht gaat vooral uit naar het uiteinde van de kiemwortel Darwin stelt voor om een plant te bekijken als een omgekeerd dier, met ondergrondse zintuigen, een ondergronds "brein" en bovengrondse seksuele organen.
                Meten en integreren van milieu-parameters

                Hedendaags onderzoek toont aan dat het uiteinde van een wortel op een helling actief, als een kruipende worm, op zoek gaat naar een zwakke plek in het substraat om zich optimaal te kunnen vestigen. Tenminste wanneer er een wortelkapje (calyptra) aanwezig is. Zonder wortelkapje groeien wortels in een rechte lijn, zonder de helling te betasten (Baluska et al. 2009). Recente ontwikkelingen in de moleculaire biologie, celbiologie, fysiologie en ecologie bevestigen het beeld van planten als gevoelige en communicatieve wezens, gekarakteriseerd door een actief, probleemoplossend gedrag. Zo wordt hun zintuiglijke rol bevestigd door wetenschappers die stellen dat plantenwortels in staat zijn om een 20-tal milieuparameters te meten, waaronder bodemvolume, stikstofgehalte, fosforgehalte, zoutgehalte en de aanwezigheid van gifstoffen. Ook chemische signalen van naburige planten en micro-organismen worden opgevangen. Bovendien kunnen wortels nagaan of naburige wortels tot dezelfde plant, dezelfde soort of een andere soort behoren. Na de meting volgt een integratie van de waarnemingen opdat planten zich zouden kunnen aanpassen aan hun omgeving. Zo is er sprake van een zintuiglijke perceptie die leidt tot aangepast gedrag en het nemen van "intelligente" beslissingen. Een dergelijke visie op planten wordt echter nog altijd betwist. Niettemin vertonen zowel de organen van planten als dieren beweging en tastzin, zij het doorgaans op een andere tijdschaal en dat laatste is voor sommigen blijkbaar moeilijk te vatten (Pollan 2013).

                Chemische SOS-wolken

                Een concreet voorbeeld van perceptie, communicatie, aanpassing en sociaal gedrag in de plantenwereld betreft de relatie tussen acaciabomen (Acacia div. sp.) en een soort antilopen: de grote koedoes (Tragelaphus strepsiceros). In 1991 bericht een wetenschappelijk artikel over de plotse sterfte van 3000 koedoes in Zuid-Afrikaanse wildparken (Van Hoven 1991). Omdat de dode dieren geen tekenen van verwonding of parasieten vertonen, wordt hun (pens)maaginhoud geanalyseerd. Die blijkt dodelijke concentraties aan looistoffen te bevatten. Koedoes zijn nochtans gewend aan deze chemicaliën omdat ze zich vaak tevreden moeten stellen met blaadjes van acacia's die, zoals de meeste bomen, looistoffen produceren wanneer ze worden aangevreten. Als gevolg van een droge winterperiode is het foerageergedrag van koedoes in bepaalde wildparken echter zo intens, dat de aangetaste bomen overgaan tot het uitstoten van etheen (= ethyleen). In parken met lage dichtheden koedoes is er niets aan de hand. Etheen is een vluchtige organische verbinding (volatile organic compound =VOC) die als plantenhormoon onder meer in staat is om vruchten te doen rijpen. De uitstoot van etheen door acacia's reikt tot tientallen meters ver en werkt als een soort chemische SOS-wolk, die de productie van looistoffen door naburige, niet aangevreten soortgenoten binnen de vijf tot tien minuten (!) doet opdrijven tot dodelijke concentraties.

                Sociaal en communicatief gedrag

                Bepaalde bomen beperken zich dus niet tot zelfverdediging, maar vertonen een zekere vorm van sociaal en communicatief gedrag, met behulp van signaalmoleculen. Slim genoeg beperken giraffen zich doorgaans tot het belagen van niet aangetaste acacia's tegen de wind in, zodat ze het effect van de etheenwolken vermijden (Hughes 1990). Een vergelijkbaar proces in de Verenigde Staten is het uitstoten van vluchtige organische verbindingen (volatile organic compounds = VOC's) door naaldbomen als de draaiden (Pinus contorta) om schorskevers af te weren. Bomen die door deze kevers zijn aangetast blijken tot 20 keer meer VOC's - vooral monoterpenen - uit te stoten in vergelijking met gezonde bomen. Bepaalde onderzoekers brengen deze verhoogde uitstoot in verband met een soort nevel (haze) die de zichtbaarheid beperkt, het klimaat beïnvloedt en de menselijke gezondheid kan schaden (Hardik et al. 2012).

                Parasieten als bondgenoten

                In 1990 wordt vastgesteld dat maïsplanten terpenen uitstoten wanneer ze worden aangevreten door larven van de katoenuil (Spodoptera littoralis), een mediterrane nachtvlinder die tegenwoordig ook in Afrika en Azië voorkomt. Dergelijke VOC's lokken parasitaire wespen van de soort Cotesia marginiventris. Die leggen vervolgens hun eieren in de larven van de nachtvlinder, waarna de opgroeiende wespenlarven hun gastheren parasiteren. Omdat de geparasiteerde larven minder maïs eten en zich niet kunnen voortplanten kan dit fenomeen de maïsplanten beschermen en leiden tot een verhoogde zaadproductie. Uiteindelijk gaan de vlinderlarven dood. Een gelijkaardig fenomeen speelt zich ondergronds af. Wortelschade door larven van de beruchte maïswortelkever (Diabrotica virgifera) activeert een enzym dat zorgt voor de aanmaak van terpenen die nematoden aantrekken. Ook deze gedragen zich als fatale parasieten, waarbij de keverlarven van binnenuit worden gedood (Degenhardt 2009).

                Ondergronds internet van zwamdraden

                Slimme en gevoelige planten


                In 1880 verschijnt een boek waarin planten niet de passieve wezens zijn waarvoor ze door velen worden aangezien. In zijn boek over de kracht van beweging bij planten toont de oudere Charles Darwin een passie voor de zintuiglijke kwaliteiten van planten. Hij ontfermt zich over fototropisme (beweging naar het licht) en andere beweeglijke activiteiten in het plantenrijk. Samen met zijn zoon Francis wijdt Charles zich aan talrijke experimenten die vooral wortel en kiemwortel betreffen. Hij gaat ervan uit dat wortels niet enkel planten voeden, maar tevens zintuiglijke organen zijn om licht, vochtigheid, zwaartekracht en druk te bepalen en op basis daarvan een gunstig traject voor de wortelgroei uit te stippelen. Zijn aandacht gaat vooral uit naar het uiteinde van de kiemwortel Darwin stelt voor om een plant te bekijken als een omgekeerd dier, met ondergrondse zintuigen, een ondergronds "brein" en bovengrondse seksuele organen.
                Meten en integreren van milieu-parameters

                Hedendaags onderzoek toont aan dat het uiteinde van een wortel op een helling actief, als een kruipende worm, op zoek gaat naar een zwakke plek in het substraat om zich optimaal te kunnen vestigen. Tenminste wanneer er een wortelkapje (calyptra) aanwezig is. Zonder wortelkapje groeien wortels in een rechte lijn, zonder de helling te betasten (Baluska et al. 2009). Recente ontwikkelingen in de moleculaire biologie, celbiologie, fysiologie en ecologie bevestigen het beeld van planten als gevoelige en communicatieve wezens, gekarakteriseerd door een actief, probleemoplossend gedrag. Zo wordt hun zintuiglijke rol bevestigd door wetenschappers die stellen dat plantenwortels in staat zijn om een 20-tal milieuparameters te meten, waaronder bodemvolume, stikstofgehalte, fosforgehalte, zoutgehalte en de aanwezigheid van gifstoffen. Ook chemische signalen van naburige planten en micro-organismen worden opgevangen. Bovendien kunnen wortels nagaan of naburige wortels tot dezelfde plant, dezelfde soort of een andere soort behoren. Na de meting volgt een integratie van de waarnemingen opdat planten zich zouden kunnen aanpassen aan hun omgeving. Zo is er sprake van een zintuiglijke perceptie die leidt tot aangepast gedrag en het nemen van "intelligente" beslissingen. Een dergelijke visie op planten wordt echter nog altijd betwist. Niettemin vertonen zowel de organen van planten als dieren beweging en tastzin, zij het doorgaans op een andere tijdschaal en dat laatste is voor sommigen blijkbaar moeilijk te vatten (Pollan 2013).

                Chemische SOS-wolken

                Een concreet voorbeeld van perceptie, communicatie, aanpassing en sociaal gedrag in de plantenwereld betreft de relatie tussen acaciabomen (Acacia div. sp.) en een soort antilopen: de grote koedoes (Tragelaphus strepsiceros). In 1991 bericht een wetenschappelijk artikel over de plotse sterfte van 3000 koedoes in Zuid-Afrikaanse wildparken (Van Hoven 1991). Omdat de dode dieren geen tekenen van verwonding of parasieten vertonen, wordt hun (pens)maaginhoud geanalyseerd. Die blijkt dodelijke concentraties aan looistoffen te bevatten. Koedoes zijn nochtans gewend aan deze chemicaliën omdat ze zich vaak tevreden moeten stellen met blaadjes van acacia's die, zoals de meeste bomen, looistoffen produceren wanneer ze worden aangevreten. Als gevolg van een droge winterperiode is het foerageergedrag van koedoes in bepaalde wildparken echter zo intens, dat de aangetaste bomen overgaan tot het uitstoten van etheen (= ethyleen). In parken met lage dichtheden koedoes is er niets aan de hand. Etheen is een vluchtige organische verbinding (volatile organic compound =VOC) die als plantenhormoon onder meer in staat is om vruchten te doen rijpen. De uitstoot van etheen door acacia's reikt tot tientallen meters ver en werkt als een soort chemische SOS-wolk, die de productie van looistoffen door naburige, niet aangevreten soortgenoten binnen de vijf tot tien minuten (!) doet opdrijven tot dodelijke concentraties.

                Sociaal en communicatief gedrag

                Bepaalde bomen beperken zich dus niet tot zelfverdediging, maar vertonen een zekere vorm van sociaal en communicatief gedrag, met behulp van signaalmoleculen. Slim genoeg beperken giraffen zich doorgaans tot het belagen van niet aangetaste acacia's tegen de wind in, zodat ze het effect van de etheenwolken vermijden (Hughes 1990). Een vergelijkbaar proces in de Verenigde Staten is het uitstoten van vluchtige organische verbindingen (volatile organic compounds = VOC's) door naaldbomen als de draaiden (Pinus contorta) om schorskevers af te weren. Bomen die door deze kevers zijn aangetast blijken tot 20 keer meer VOC's - vooral monoterpenen - uit te stoten in vergelijking met gezonde bomen. Bepaalde onderzoekers brengen deze verhoogde uitstoot in verband met een soort nevel (haze) die de zichtbaarheid beperkt, het klimaat beïnvloedt en de menselijke gezondheid kan schaden (Hardik et al. 2012).

                Parasieten als bondgenoten

                In 1990 wordt vastgesteld dat maïsplanten terpenen uitstoten wanneer ze worden aangevreten door larven van de katoenuil (Spodoptera littoralis), een mediterrane nachtvlinder die tegenwoordig ook in Afrika en Azië voorkomt. Dergelijke VOC's lokken parasitaire wespen van de soort Cotesia marginiventris. Die leggen vervolgens hun eieren in de larven van de nachtvlinder, waarna de opgroeiende wespenlarven hun gastheren parasiteren. Omdat de geparasiteerde larven minder maïs eten en zich niet kunnen voortplanten kan dit fenomeen de maïsplanten beschermen en leiden tot een verhoogde zaadproductie. Uiteindelijk gaan de vlinderlarven dood. Een gelijkaardig fenomeen speelt zich ondergronds af. Wortelschade door larven van de beruchte maïswortelkever (Diabrotica virgifera) activeert een enzym dat zorgt voor de aanmaak van terpenen die nematoden aantrekken. Ook deze gedragen zich als fatale parasieten, waarbij de keverlarven van binnenuit worden gedood (Degenhardt 2009).

                Ondergronds internet van zwamdraden


                De wortels van de meeste landplanten hebben contact met zwamdraden (mycelia) van fungi, die de plant mineralen, water en bescherming tegen pathogenen bezorgen in ruil voor suikers. Een verschijnsel dat bekend is als mycorrhiza. Suikers stellen fungi in staat tot het uitbouwen van soms gigantische netwerken van mycelia, die instaan voor een transport van water en voedsel. Kort geleden werd aangetoond dat deze ondergrondse structuren ook kunnen dienen als kanalen voor uitwisseling van informatie tussen "aangekoppelde" planten. Ook wanneer deze tot verschillende soorten behoren (Simard & Dural 2004). Daardoor kunnen bomen en andere planten elkaar relatief snel waarschuwen, zoals in het geval van een aanval door bladluizen. Zo'n bedreiging veroorzaakt de productie van VOC's zoals methylsalicylzuur, waardoor planten bladluizen kunnen afweren en hun parasitoïde vijanden (= dodelijke parasieten) aantrekken. Bij niet door bladluizen aangetaste planten kunnen dergelijke effecten enkel optreden wanneer ze door zwamdraden verbonden zijn met de wel aangetaste. Dit ondergrondse netwerk stelt naburige planten in staat om verdedigingsmechanismen te ontplooien vooraleer er een aanval plaatsvindt. Netwerken van zwamdraden kunnen bijgevolg fungeren als een soort internet dat zowel het gedrag van planteneters als hun vijanden kan beïnvloeden door middel van een snelle en efficiënte communicatie (Babikova et al. 2013). Dezelfde netwerken kunnen ook de vestiging van zaailingen vergemakkelijken (Van Der Heijden 2004 ) en de samenstelling van plantengemeenschappen beïnvloeden (Van Der Heijden & Horton 2009).

                Magnetische velden

                Planten blijken ook in staat om magnetische velden aan te voelen. Het geomagnetische veld (GMV), dat het gevolg is van turbulentie in de vloeibare metalen buitenste kern van de aarde, is daarom een onvermijdbare milieu-factor voor planten. Het GMV beschermt de aarde tegen schadelijke zonnewinden (solar winds), maar beïnvloedt tevens biologische processen zoals kieming, bloei, fotosynthese en de migratie van vogels. Het GMV verandert in de loop van de evolutie en zorgt daarbij voor stressfactoren die bijgedragen tot soortvorming en uitsterving. De toename van hoge-energiedeeltjes tijdens het omkeren van de polen kan mogelijk zelfs bijdragen tot massaal uitsterven. Aan de andere kant is recent aangetoond dat perioden van normale polariteit - zoals de huidige - overlappen met het verschijnen van de meeste families van bedektzadigen, waartoe de loofbomen behoren. Om onweerlegbaar te bewijzen dat het aanvoelen van magnetische velden een drijvende kracht is voor de evolutie zijn evenwel meer experimenten nodig. Zoals onderzoek naar het effect van "omkeringen" op bepaalde genen van planten. Het verband tussen magnetische velden en talrijke invloeden daarvan op planten staat evenwel buiten kijf (Occhipinti et al. 2014).

                Doorgeven van levenservaring

                Genetici hebben dikwijls tot hun verbazing vastgesteld dat planten meer genen bezitten dan dieren. In het licht van het voorgaande is dat niet verwonderlijk. Het leven en overleven van planten hangt in belangrijke mate af van talrijke, soms complexe signaalmoleculen en giftige stoffen, die ook wel secundaire metabolieten worden genoemd (in tegenstelling tot de "primaire" vetten, suikers en eiwitten). Het vermogen van planten om signaal- en afweerstoffen te produceren is ten dele erfelijk. Maar er is meer aan de hand. In 1999 deed een team van biologen onder leiding van Ralph Tollrian een opmerkelijke ontdekking. In het befaamde tijdschrift Nature wordt beschreven hoe radijsplanten worden blootgesteld aan hun natuurlijke vijanden. Zoals verwacht, reageren de radijsjes door grotere hoeveelheden van de gifstof glucosinolaat aan te maken. Maar daarbij blijft het niet. Nakomelingen van gestresseerde planten produceren eveneens grotere hoeveelheden gif. Ook zonder belagers in de buurt (Anurag et al. 1999). Dat is voor de meeste evolutiebiologen even slikken. Tijdens het leven aangeleerde eigenschappen via de voortplanting doorgeven aan het nageslacht is volgens het klassieke darwinisme immers onmogelijk. Zoals een violiste wiens kindje als violist ter wereld komt. Dit doet denken aan de ideeën van Jean-Baptiste Lamarck en aan giraffen die een lange nek hebben omdat ze die generatie na generatie verder hebben uitgerekt om bij de hoogste blaadjes van een boom te kunnen komen.

                Epigenetische informatie

                Vooral inzichten in de moleculaire genetica en de conclusie dat evolutie het gevolg is van toevallige veranderingen in het DNA, die soms een voordeel kunnen opleveren maar niet worden beïnvloed door de omgeving, betekenden de doodsteek voor het lamarckisme. Maar hoe zit het dan met de radijzen van Tollrian? Ondertussen is duidelijk geworden dat het aan- of uitschakelen van de activiteit van genen kan worden doorgegeven aan het nageslacht zonder dat daarbij de DNA-code verandert. De overerfbare positie van bepaalde moleculen rondom het DNA (methylgroepen, nucleosomen) bepalen welke delen actief zijn. Dit heet epigenetische informatie. Deze evolueert sneller dan het meer stabiele DNA en kan worden beïnvloed door de omgeving waarin een plant of dier opgroeit. Op die manier kan overerfbare informatie veranderen in een reactie op de omgeving en de heersende selectieve druk. Zo kunnen genen die verantwoordelijk zijn voor de productie van glucosinolaat in radijsjes worden aangezet en doorgegeven aan een volgende generatie. (Verstrepen 2008). Lamarck gniffelt ongetwijfeld vanuit zijn graf.
                Last edited by JFall; 31 March 2020, 17:35.

                Comment

                Bezig...
                X