Yo growers,
Ik hoop uit de grond van mijn hart dat je dit stukje leest uit pure interesse en niet voor de reden waarom ik dit in elkaar heb gestoken…
Deze zomer (2009) werd ik samen met vele andere medekwekers hier op JD maar weer eens geconfronteerd met een thripsenplaagje. Er is veel informatie te vinden op het net en in naslagwerken of artikels over deze helse schepsels maar alles is zowaar overal verspreidt. Via dit draadje heb ik een poging gedaan om alle kennis te gaan bundelen en meer te weten te komen over deze hardnekkige insecten. Ervaringen met plagen en productjes zijn uiteraard steeds welkom en denk je de oplossing te hebben gevonden, breng ons dan aub op de hoogte want we moeten de oorlog nu eindelijk eens gaan winnen!!!
* Big thnx 2 Vale!!! die kerel gaf gewoon niet op, respect man!!! *
* Petje af voor Lgreen en de mooie pics die ik van hem mocht bootleggen *
1) Beschrijving en levenscyclus:
Thrips zijn het over het algemeen heel het seizoen aanwezig op grote slavelden, maar plagen komen het vaakst voor bij warme temperaturen tijdens de late lente of vroege zomer. Thrips gedijen goed en planten zich voort in braakliggende terreinen, uien, gras of heel droge land plekken die niet worden geïrrigeerd. Eenmaal ze de ene gastheer tot de grond hebben gericht pakken ze gewoon hun boeltje en beginnen aan de volgende. Het zijn smalle langgerekte insectjes die net lijken op een witgetrokken onweersbeestje… Hun naam is afgeleid uit het Grieks en is eigenlijk thysanoptera: dit is een combinatie van het Griekse thysanos (rafel) en pteron (vleugel) die duidt op de gerafelde vleugeltjes van de mispunten.
Thripsen zijn zeer kleine tot kleine, donker gekleurde, hemimetabole insecten met een slank en afgeplat lichaam en gewoonlijk twee paar smalle vleugels met lange franje. De lichaamslengte varieert van 0,5 tot 12 mm, maar de meeste soorten worden 4-5 mm lang.
De kop draagt een paar kleine, maar opvallende facetogen en bij gevleugelde thripsen 3 ocellen. De voelsprieten zijn vrij kort en staan dichtbij elkaar ingeplant vooraan in de kop, ze hebben 6-10 segmenten. De korte mondkegel of snuit is hoofdzakelijk opgebouwd uit de onder- en bovenlip. De stekende of borende monddelen zijn asymmetrisch, de rechter mandibel is rudimentair, terwijl de borende stiletten zijn afgeleid uit de linker, stiletvormige mandibel en de beide maxillen. De zuigsnuit is omgeven door de bovenlip en de onderlip en onder aan de kop ingeplant.
De prothorax is duidelijk zichtbaar, maar de meso- en metathoracale segmenten zijn geheel versmolten. De poten zijn vrij kort en de tarsen 2-ledig. De pretarsus heeft een uitstulpbare blaas, die door bloeddruk kan worden opgeblazen tot een soort ballonnetje. Daarmee kan de thrips zich stevig hechten aan verschillende substraten.
Als er vleugels aanwezig zijn, zijn deze zeer smal en met weinig of geen aders. De voor- en achterrand is bezet met franje van relatief lange haren, die het oppervlak van de vleugels meer dan verdubbelen. De vleugels zijn onderling verbonden door kleine haakjes op de achtervleugel. Veel soorten thripsen zijn ongevleugeld, maar de vleugelontwikkeling is erg variabel; zelfs binnen een soort kunnen er gevleugelde en ongevleugelde exemplaren bevinden binnen een populatie. Ook kortvleugelige thripsen komen voor.
Het achterlijf is lang en meestal cilindervormig. Cerci ontbreken. Vrouwtjes hebben een goed ontwikkelende, zaagvormige legboor.
Veel soorten thripsen zijn bruinig tot donkerzwart van kleur. Er komen ook lichtere soorten voor met gekleurde camouflagebanden.
Thripsen zijn zo klein dat ze bijna door niemand worden opgemerkt, tenzij er eentje bij een wandel- of fiets tocht in je oog komt. In de zomermaanden is er echter bijna geen bloem te vinden zonder thripsen. Vooral in paardenbloemen of madeliefjes kunnen er wel enige tientallen voorkomen. Bij warm, onweersachtig weer kunnen zij bij duizenden gaan vliegen en staan daarom bekend als 'onweersbeestjes'. Sommige thripsen prikken de mens voelbaar in de huid zonder enige letselschade of napijn.
● Voorkomen
Wereldwijd verspreid. Er zijn ongeveer 5000 soorten bekend. Geschat wordt dat dit ongeveer de helft moet zijn van het werkelijke aantal soorten. In Europa komen er ongeveer 300 soorten voor plus tientallen exoten die geïmporteerd zijn met planten en bomen van elders. De thripsen uit warme streken kunnen dikwijls goed overleven op bepaalde gewassen en potplanten in verwarmde kassen. In Nederland en België worden circa 150 soorten thripsen gevonden uit de families Aeolothripidae, Thripidae en Phlaeothripidae (zie verder).
● Habitat
Alle soorten leven op de vegetatie en zijn gebonden aan bepaalde waardplanten. Veel soorten houden zich op in bloemhoofdjes, bijvoorbeeld tussen de lintbloemen van composieten, maar ze kunnen ook op fruit, tussen de bladscheden van grassen, onder mos of schors en op de grond tussen afgevallen bladeren worden gevonden. Door hun geringe afmeting leven de meeste soorten verborgen vaak tussen de bladeren of langs de nerven van bladeren. De thripsen overleven indoor in spleten en kieren van je kast of in de kamer waar de set-up zich bevindt.
De nymfen van thripsen verpoppen in de bodem. Ik lees verschillende diepstes van 3-8 cm maar ze werden blijkbaar al geconstateerd op 20 cm diep ook. Voor ons is dit van weinig nut want de thripsen kunnen uiteraard onderaan via de afwateringsgaten ook in de pot. Denk je aan thripsen dan raad ik je aan de potten eens allemaal te gaan opheffen en kijken, vaak tref je wel hier of daar een exemplaar aan.
● Levenswijze en voortplanting
De meeste Thysanoptera zijn fytofaag. Ze voeden zich door plantencellen te doorboren met de stiletten en er sap aan te onttrekken. Andere soorten zuigen aan schimmels, algen op rottend hout of aan sappen van het (rottend) hout zelf. Een minderheid is carnivoor. De zogenaamde roofthripsen prederen op andere thripsen, kleine insecten en hun eieren en larven, mijten en rondwormen of aaltjes (Nematoda).
Thripsen vervolledigen hun levenscyclus afhankelijk van de warmte tussen 14 en 30 dagen. Wanneer temperaturen langdurig hoger dan 30°C bedragen in de kast bvb dan kan de levenscyclus verkort worden tot 10 dagen. Volwassen exemplaren kunnen tot 20 dagen leven. Hoe warmer dus, hoe sneller alles gaat.
Elk volwassen vrouwtje kan tot 100 eitjes leggen, zoals we verder zullen zien is een mannetjes thrips daarvoor niet altijd nodig. In het overgrote deel van de wereld bestaan volledige populaties enkel uit vrouwtjes. Dit aspect van de voorplanting is uiteraard heel belangrijk om te begrijpen dat 1 thrips in heel korte tijd een grote populatie kan voortbrengen in ongelofelijk korte tijd.
Thripsen produceren vrij grote, gladde eieren. Een ei is ongeveer een vijfde van de lengte van de moeder. De eieren worden één voor één of dicht naast elkaar in bladeren of schors gelegd in sneetjes die met de zaagvormige legboor zijn gemaakt. Na ovipositie worden er voortdurende nieuwe sets eieren aangemaakt. De eerste twee nimfale stadia lijken op een verkleinde uitgave van de adulten zonder vleugels of vleugelkussentjes. De poten bezitten nog 2 klauwtjes. In het derde stadium verschijnen de vleugelkussentjes waaruit later de vleugels ontwikkelen. Dit stadium is in de onderorde Terrebrantia een prepupa die echter nog wel in staat is zich te voeden. Het vierde stadium lijkt op een pop en voor de vervelling kan zelfs een soort cocon worden gesponnen. Bij de onderorde Tubulifera kan het vierde stadium weer een prepupa zijn (prepupa II) en wordt het echte popstadium pas bereikt in het vijfde stadium. Poppen kunnen zich niet voeden. Prepupae en echte poppen lijken erg op de adulte stadia, vandaar dat er niet over een volledige gedaanteverwisseling kan worden gesproken.
In de streken met een gematigd klimaat zijn het vaak de adulte vrouwtjes die overwinteren onder schors, in bladafval en oude vogelnesten. Bij veel soorten is het mannetje onbekend. Thelytoke parthenogynese is heel gewoon onder thripsen. Elaphothrips tuberculatus is facultatief vivipaar en brengt soms groepjes levende jongen voort, maar onder andere omstandigheden worden er eieren gelegd. Uit de vivipaar geborenen ontwikkelen zich vaak mannetjes en uit de eieren vrouwtjes. Veel soorten thripsen zijn multivoltien.

Thripsen kunnen in geweldig grote aantallen voorkomen en in bepaalde gevallen aanzienlijke schade aanrichten aan cultuurgewassen, zoals potplanten en sierbloemen, vooral in kassen, maar ook aan tuinbouwgewassen op akkers.
Thripsen prikken de bladcellen van het oppervlakteweefsel aan en zuigen deze leeg. Dit veroorzaakt op de bladeren zilvergrijze vlekken met kleine donkergroene vlekjes erin. Dit zijn de uitwerpselen. De erwtenthrips is verantwoordelijk voor het gevlekte, zilverachtige uiterlijk van erwtenpeulen. Een aangetaste plant kan minder goed assimileren, groeit daardoor slecht en heeft een verminderde productie aan bloemen en vruchten. Bij ernstige aantasting kunnen de bladeren zelfs helemaal verdrogen. Er zijn ook thripsen die gallen maken en die verantwoordelijk zijn voor allerlei ongewenste vervormingen van bladeren waardoor de planten ook in hun groei worden geremd.
Thripsen kunnen net als cicaden en bladluizen plantenvirussen overbrengen. Het meest bekende virus dat wordt overgebracht wordt is het tomatenbronsvlekkenvirus (TSWV). Verantwoordelijk voor de transmissie is vooral de Californische thrips. Het virus veroorzaakt vooral veel schade in Mediterrane streken.
Ikzelf heb op mijn planten (na 2 tripsenaanvallen) 2 keer het tabaksbontvirus aangetroffen op mn plantjes. Ik dacht eerst aan een freak, maar niets bleek minder waar.
[img]http://www.jointjedraaien.nl/wietforum/attachment.php?attachmentid=12076&d=1251933798[img]
● Systematiek
Binnen de Thysanoptera worden 2 onderordes onderscheiden: de Terebrantia met 7 families en de Tubulifera met maar 1 familie.
De Thysanoptera worden enerzijds beschouwd als een sterk gespecialiseerd taxon met Psocoptera-achtige voorouders. Anderzijds wijst de ontwikkeling van een zuigsnuit en het ontbreken van abdominale cerci op kenmerken die ze delen met de Hemipteroiden (wantsen, cicaden en plantenluizen): de Hemipteroide assemblage. Bij sommige plantenluizen (Sternorrhyncha) is er ook een popachtig stadium in de ontwikkeling. Dit kan op convergente evolutie duiden bij insecten die in eenzelfde soort habitat leven. In beide gevallen is er vermoedelijk geen sprake van gedeelde afstammingslijnen met insecten met een holometabole gedaanteverwisseling.
De Terebrantia worden kenmerkt door de aanwezigheid van een zaagvormige legboor; bij de Tubulifera is het achterlijf buisvormig verlengd zonder legboor. In de Terebrantia bevinden zich de families met de schadelijke soorten. De weinig afgeplatte en breedvleugelige Aeolothripidae zijn vaak gekenmerkt door gekleurde banden op de vleugels en een omhoog gerichte legboor. De soortenrijke Thripidae zijn dikwijls donker gekleurd en hebben een omlaag gerichte legboor. De Tubulifera (familie Phlaeothripidae) zijn vaak veel groter dan de Terebrantia en hebben forse lichamen en zijn vaak schimmeleters of carnivoren. Binnen de Phlaeothripidae komen vrijwel geen schadelijke soorten voor.
● Behandelde taxa
Onderorde Terebrantia
Familie Thripidae
Parthenothrips dracenae (palmenthrips)
2) Verschillende soorten en hun onderscheid:
Het is belangrijk te weten met welke soort thrips je te maken hebt met het oog op het inzetten van natuurlijke vijanden.
De 6 meest voorkomende soorten van thrips zijn:
● Echinothrips americanus – Echinothrips:

bladbewonende thrips, ongeveer 1,2 mm groot. De volwassen thripsen zijn donker gekleurd, poten donker, lichaam slank, puntige vleugelbasis en de rest van de vleugels doorzichtig. De larven zijn wit, doorzichtig en hebben geen druppel aan het achtereinde van het lichaam. De verpopping van deze thrips vindt plaats op het blad. Ze heeft een voorkeur voor de onderkant van de bladeren, maar komen ook op de bovenkant en in de bloemen voor. Opmerkelijk bij deze soort is dat ze vooral onderin het gewas nest. Dit beestje komt vaak voor in kassen.
Natuurlijke vijanden: franklinothrips vespifromis

● Frankliniella occidentalis - californische thrips

ongeveer 1,3-1,4 mm groot. De volwassen thripsen zijn geel tot oranje van kleur en komen vooral in het bovenste gedeelte van de plant voor. Bloemknoppen en groeipunten kunnen ernstig misvormd uitgroeien. Als die aanwezig zijn, trekt de thrips daar naar toe. Deze thrips eet ook stuifmeel en komt daarom vaak in bloemen voor. Ze is moeilijk op te merken soms want verpopping vindt over het algemeen plaats in de grond. Deze thrips gaat niet in diapauze en is gekend voor het overbrengen van virussen… Het probleem bij identificatie is dat ze heel goed lijkt op thrips tabaci – tabaksthrips.
Natuurlijke vijanden: amblyseius cucumeris, - degenerans, - californicus, - swirskii, alle orius soorten, hypoaspis aculeifer, - miles en franklinothrips vespiformis.

● Heliothrips haemorrhoidalis – gestreepte kasthrips

bladbewonende thrips, ongeveer 1,5 mm groot. Ze komt zowel op de bovenkant als de onderkant van blad voor. De volwassen thripsen donker gekleurd, poten licht met een vleugelbasis die licht is van kleur. De vleugels vormen lichte band in de lengterichting van de thrips. De larven van de andere kant zijn geel, vaak met zwarte vlek. Kenmerkend is dat ze hebben een druppel aan het achtereinde van het lichaam, de viezerikken. Deze komt vaak in kassen voor.
Natuurlijke vijanden: thripobius semiluteus

● Hercinothrips femoralis – zwarte kastthrips

bladbewonende thrips, ongeveer 1,5 mm groot. Komen zowel op de bovenkant als op de onderkant van het blad voor. De volwassen thripsen zijn donker gekleurd, poten overwegend donker. De vleugels zijn donker met drie lichtere banden. De larven zijn geel, vaak met zwarte vlek. Ook hier de kenmerkende druppel aan het achtereinde van het lichaam. Deze komt in onze contreien zowel binnen als buiten voor.
Natuurlijke vijanden: franklinothrips vespiformis en thripobius semiluteus.

● Parthenothrips dracaenae – zebrathrips

bladbewonende thrips: volwassen thripsen zitten vaak op bovenkant van het blad, de larven in groepjes bij elkaar op de onderkant. De volwassen exemplaren zijn opvallend dwars gestreept (vleugeltekening). De larven wit, enigszins doorzichtig. Deze thrips doet het goed bij lage luchtvochtigheid.
Natuurlijke vijanden: franklinothrips vespiformis en amblyseiulus degenerans

● Thrips tabaci – tabaksthrips

ongeveer 0,8 -1,2 mm groot. De kleur van volwassen thripsen is afhankelijk van het voedsel. Ze bevinden zich meestal langs de grote nerven maar vooral de bladeren worden beschadigd. Verpopping vindt over het algemeen plaats in de grond. Deze thrips is wel diapauze gevoelig en is staat er ook om bekend virussen over te dragen. Ook hier hetzelfde probleem op gebied van herkenning zoals bij de Frankliniella occidentalis – californische thrips.
Natuurlijke vijanden: amblyseius cucumeris, - degenerans, - californicus, - swirskii, alle orius soorten, hypoaspis aculeifer en – miles.

Maar ze zijn echter met veel meer: dit is een goeie site voor identificatie maar jammer genoeg moet je verder klikken op de naam en wordt het een lange zoektocht als ze niet in het bovenstaande lijstje voorkomt. Ik copieer hier de resultaten omdat je zo misschien makkelijker zelf kunt plakken en copieren en op afbeeldingen gaan zoeken. Het zou ook echter niet heel logisch zijn moest je deze aantreffen in je kast volgens mij omdat ze onze plantjes niet echt lusten…
http://www.pestinfo.org/Literature/thripspec.htm#Eastern_Europe
Acanthothrips nodicornis
Anaphothrips obscurus (American grass thrips)
Anaphothrips spp.
Anaphothrips sudanensis
Apterothrips secticornis
Apterothrips spp.
Aptinothrips rufus
Aptinothrips spp. (grass thrips)
Aptinothrips stylifer
Baliothrips dispar
Ceratothrips ericae (heather thrips)
Ceratothrips spp.
Chaetanaphothrips orchidii
Chaetanaphothrips spp.
Chirothrips aculeatus
Chirothrips hamatus (meadow foxtail thrips)
Chirothrips manicatus
Chirothrips pallidicornis
Chirothrips spp.
Cryptothrips nigripes
Cryptothrips spp.
Dendrothrips ornatus (privet thrips)
Dendrothrips spp.
Drepanothrips reuteri (grape thrips)
Echinothrips americanus
Echinothrips spp.
Frankliniella intonsa
Frankliniella occidentalis (western flower thrips)
Frankliniella pallida
Frankliniella spp. (flower thrips species)
Frankliniella tenuicornis
Haplothrips aculeatus
Haplothrips cerealis
Haplothrips leucanthemi (clover thrips)
Haplothrips spp.
Haplothrips statices
Haplothrips tritici
Heliothrips haemorrhoidalis (black greenhouse thrips)
Heliothrips spp.
Hercinothrips femoralis (banded greenhouse thrips)
Hercinothrips spp.
Hoplothrips corticis
Hoplothrips pedicularius
Hoplothrips spp.
Hoplothrips ulmi
Kakothrips pisivorus (pea thrips)
Leucothrips nigripennis (fern thrips)
Leucothrips spp.
Limothrips angulicornis
Limothrips cerealium (grain thrips)
Limothrips denticornis (barley thrips)
Limothrips schmutzi
Limothrips spp.
Liothrips brevicollis
Liothrips oleae (olive thrips)
Liothrips setinodis
Liothrips spp.
Liothrips vaneeckei (lily thrips)
Microcephalothrips abdominalis (composite thrips)
Mycterothrips consociatus
Mycterothrips spp.
Neohydatothrips gracilicornis
Neohydatothrips spp.
Odontothrips confusus
Odontothrips intermedius
Odontothrips loti (birdsfoot trefoil thrips)
Odontothrips meliloti
Odontothrips phaleratus
Odontothrips spp.
Parthenothrips dracaenae (Dracaena thrips)
Pezothrips dianthi
Pezothrips kellyanus (Kelly's citrus thrips)
Pezothrips spp.
Phlaeothrips coriaceus
Rubiothrips vitis (European grape thrips)
Scirtothrips longipennis (begonia thrips)
Scirtothrips spp.
Stenchaetothrips biformis (rice thrips)
Stenchaetothrips spp.
Stenothrips graminum (oats thrips)
Taeniothrips inconsequens (pear thrips)
Taeniothrips picipes
Taeniothrips spp.
Tenothrips discolor
Tenothrips frici
Tenothrips spp.
Thrips angusticeps
Thrips atratus
Thrips calcaratus (basswood thrips)
Thrips flavus
Thrips fuscipennis
Thrips juniperinus
Thrips linarius (flax thrips)
Thrips major (rose thrips)
Thrips meridionalis (peach thrips)
Thrips minutissimus
Thrips nigropilosus (chrysanthemum thrips)
Thrips palmi (palm thrips)
Thrips parvispinus
Thrips physapus (dandelion thrips)
Thrips pillichi
Thrips pini
Thrips simplex (gladiolus thrips)
Thrips spp.
Thrips tabaci (onion thrips)
Thrips validus
Thrips vulgatissimus
● Tabaksthrips vs Californische thrips:
Dit zijn de 2 thripsen waar wij als cannabis kwekers in de lage landen het meest mee te maken hebben. Identificatie is moeilijk maar kan bestrijding makkelijker maken.
De californische is zeer moeilijk te onderscheiden omdat ze zoveel verschillende kleuren heeft. De vrouwtjes variëren in kleur van licht geel, geel met bruine strepen op het lijf tot donker bruin. De mannelijke variant is meestal licht geel. Volwassen exemplaren zijn ongeveer 1,5 cm lang. Nymfen zijn over het algemeen licht geel van kleur. De californische thrips heeft rood/oranje pigmentatie boven op de rug en de antenne telt 8 segmenten.
Tabaksthrips aan de andere kant kunnen zich aseksueel voortplanten door Thelytoke parthenogynese. Dit wil zeggen dat een populatie mogelijk enkel uit vrouwtjes kan bestaan. Mannelijke tabaksthrips worden zelden tot nooit gesignaleerd. Het vrouwelijke exemplaar is net iets kleiner dan dat van de californische, 1,2 mm lang. De kleur van het lichaam is afhankelijk van de voeding maar er wordt ook beweert dat lichte kleuren vooral voorkomen wanneer het warm is en donkere wanneer het koeler is. De antennesegmenten I en de basis van de segmenten III tot V zijn bruin/wit terwijl de rest bruin is. Hun rugsegment is grijs en niet met rode vlekken en heft een antenne met 7 segmenten. De nymfen van deze soort zijn eerder licht van kleur.
Ik hoop uit de grond van mijn hart dat je dit stukje leest uit pure interesse en niet voor de reden waarom ik dit in elkaar heb gestoken…
Deze zomer (2009) werd ik samen met vele andere medekwekers hier op JD maar weer eens geconfronteerd met een thripsenplaagje. Er is veel informatie te vinden op het net en in naslagwerken of artikels over deze helse schepsels maar alles is zowaar overal verspreidt. Via dit draadje heb ik een poging gedaan om alle kennis te gaan bundelen en meer te weten te komen over deze hardnekkige insecten. Ervaringen met plagen en productjes zijn uiteraard steeds welkom en denk je de oplossing te hebben gevonden, breng ons dan aub op de hoogte want we moeten de oorlog nu eindelijk eens gaan winnen!!!
* Big thnx 2 Vale!!! die kerel gaf gewoon niet op, respect man!!! *
* Petje af voor Lgreen en de mooie pics die ik van hem mocht bootleggen *
1) Beschrijving en levenscyclus:
Thrips zijn het over het algemeen heel het seizoen aanwezig op grote slavelden, maar plagen komen het vaakst voor bij warme temperaturen tijdens de late lente of vroege zomer. Thrips gedijen goed en planten zich voort in braakliggende terreinen, uien, gras of heel droge land plekken die niet worden geïrrigeerd. Eenmaal ze de ene gastheer tot de grond hebben gericht pakken ze gewoon hun boeltje en beginnen aan de volgende. Het zijn smalle langgerekte insectjes die net lijken op een witgetrokken onweersbeestje… Hun naam is afgeleid uit het Grieks en is eigenlijk thysanoptera: dit is een combinatie van het Griekse thysanos (rafel) en pteron (vleugel) die duidt op de gerafelde vleugeltjes van de mispunten.
Thripsen zijn zeer kleine tot kleine, donker gekleurde, hemimetabole insecten met een slank en afgeplat lichaam en gewoonlijk twee paar smalle vleugels met lange franje. De lichaamslengte varieert van 0,5 tot 12 mm, maar de meeste soorten worden 4-5 mm lang.
De kop draagt een paar kleine, maar opvallende facetogen en bij gevleugelde thripsen 3 ocellen. De voelsprieten zijn vrij kort en staan dichtbij elkaar ingeplant vooraan in de kop, ze hebben 6-10 segmenten. De korte mondkegel of snuit is hoofdzakelijk opgebouwd uit de onder- en bovenlip. De stekende of borende monddelen zijn asymmetrisch, de rechter mandibel is rudimentair, terwijl de borende stiletten zijn afgeleid uit de linker, stiletvormige mandibel en de beide maxillen. De zuigsnuit is omgeven door de bovenlip en de onderlip en onder aan de kop ingeplant.
De prothorax is duidelijk zichtbaar, maar de meso- en metathoracale segmenten zijn geheel versmolten. De poten zijn vrij kort en de tarsen 2-ledig. De pretarsus heeft een uitstulpbare blaas, die door bloeddruk kan worden opgeblazen tot een soort ballonnetje. Daarmee kan de thrips zich stevig hechten aan verschillende substraten.
Als er vleugels aanwezig zijn, zijn deze zeer smal en met weinig of geen aders. De voor- en achterrand is bezet met franje van relatief lange haren, die het oppervlak van de vleugels meer dan verdubbelen. De vleugels zijn onderling verbonden door kleine haakjes op de achtervleugel. Veel soorten thripsen zijn ongevleugeld, maar de vleugelontwikkeling is erg variabel; zelfs binnen een soort kunnen er gevleugelde en ongevleugelde exemplaren bevinden binnen een populatie. Ook kortvleugelige thripsen komen voor.
Het achterlijf is lang en meestal cilindervormig. Cerci ontbreken. Vrouwtjes hebben een goed ontwikkelende, zaagvormige legboor.
Veel soorten thripsen zijn bruinig tot donkerzwart van kleur. Er komen ook lichtere soorten voor met gekleurde camouflagebanden.
Thripsen zijn zo klein dat ze bijna door niemand worden opgemerkt, tenzij er eentje bij een wandel- of fiets tocht in je oog komt. In de zomermaanden is er echter bijna geen bloem te vinden zonder thripsen. Vooral in paardenbloemen of madeliefjes kunnen er wel enige tientallen voorkomen. Bij warm, onweersachtig weer kunnen zij bij duizenden gaan vliegen en staan daarom bekend als 'onweersbeestjes'. Sommige thripsen prikken de mens voelbaar in de huid zonder enige letselschade of napijn.
● Voorkomen
Wereldwijd verspreid. Er zijn ongeveer 5000 soorten bekend. Geschat wordt dat dit ongeveer de helft moet zijn van het werkelijke aantal soorten. In Europa komen er ongeveer 300 soorten voor plus tientallen exoten die geïmporteerd zijn met planten en bomen van elders. De thripsen uit warme streken kunnen dikwijls goed overleven op bepaalde gewassen en potplanten in verwarmde kassen. In Nederland en België worden circa 150 soorten thripsen gevonden uit de families Aeolothripidae, Thripidae en Phlaeothripidae (zie verder).
● Habitat
Alle soorten leven op de vegetatie en zijn gebonden aan bepaalde waardplanten. Veel soorten houden zich op in bloemhoofdjes, bijvoorbeeld tussen de lintbloemen van composieten, maar ze kunnen ook op fruit, tussen de bladscheden van grassen, onder mos of schors en op de grond tussen afgevallen bladeren worden gevonden. Door hun geringe afmeting leven de meeste soorten verborgen vaak tussen de bladeren of langs de nerven van bladeren. De thripsen overleven indoor in spleten en kieren van je kast of in de kamer waar de set-up zich bevindt.
De nymfen van thripsen verpoppen in de bodem. Ik lees verschillende diepstes van 3-8 cm maar ze werden blijkbaar al geconstateerd op 20 cm diep ook. Voor ons is dit van weinig nut want de thripsen kunnen uiteraard onderaan via de afwateringsgaten ook in de pot. Denk je aan thripsen dan raad ik je aan de potten eens allemaal te gaan opheffen en kijken, vaak tref je wel hier of daar een exemplaar aan.
● Levenswijze en voortplanting
De meeste Thysanoptera zijn fytofaag. Ze voeden zich door plantencellen te doorboren met de stiletten en er sap aan te onttrekken. Andere soorten zuigen aan schimmels, algen op rottend hout of aan sappen van het (rottend) hout zelf. Een minderheid is carnivoor. De zogenaamde roofthripsen prederen op andere thripsen, kleine insecten en hun eieren en larven, mijten en rondwormen of aaltjes (Nematoda).
Thripsen vervolledigen hun levenscyclus afhankelijk van de warmte tussen 14 en 30 dagen. Wanneer temperaturen langdurig hoger dan 30°C bedragen in de kast bvb dan kan de levenscyclus verkort worden tot 10 dagen. Volwassen exemplaren kunnen tot 20 dagen leven. Hoe warmer dus, hoe sneller alles gaat.
Elk volwassen vrouwtje kan tot 100 eitjes leggen, zoals we verder zullen zien is een mannetjes thrips daarvoor niet altijd nodig. In het overgrote deel van de wereld bestaan volledige populaties enkel uit vrouwtjes. Dit aspect van de voorplanting is uiteraard heel belangrijk om te begrijpen dat 1 thrips in heel korte tijd een grote populatie kan voortbrengen in ongelofelijk korte tijd.
Thripsen produceren vrij grote, gladde eieren. Een ei is ongeveer een vijfde van de lengte van de moeder. De eieren worden één voor één of dicht naast elkaar in bladeren of schors gelegd in sneetjes die met de zaagvormige legboor zijn gemaakt. Na ovipositie worden er voortdurende nieuwe sets eieren aangemaakt. De eerste twee nimfale stadia lijken op een verkleinde uitgave van de adulten zonder vleugels of vleugelkussentjes. De poten bezitten nog 2 klauwtjes. In het derde stadium verschijnen de vleugelkussentjes waaruit later de vleugels ontwikkelen. Dit stadium is in de onderorde Terrebrantia een prepupa die echter nog wel in staat is zich te voeden. Het vierde stadium lijkt op een pop en voor de vervelling kan zelfs een soort cocon worden gesponnen. Bij de onderorde Tubulifera kan het vierde stadium weer een prepupa zijn (prepupa II) en wordt het echte popstadium pas bereikt in het vijfde stadium. Poppen kunnen zich niet voeden. Prepupae en echte poppen lijken erg op de adulte stadia, vandaar dat er niet over een volledige gedaanteverwisseling kan worden gesproken.
In de streken met een gematigd klimaat zijn het vaak de adulte vrouwtjes die overwinteren onder schors, in bladafval en oude vogelnesten. Bij veel soorten is het mannetje onbekend. Thelytoke parthenogynese is heel gewoon onder thripsen. Elaphothrips tuberculatus is facultatief vivipaar en brengt soms groepjes levende jongen voort, maar onder andere omstandigheden worden er eieren gelegd. Uit de vivipaar geborenen ontwikkelen zich vaak mannetjes en uit de eieren vrouwtjes. Veel soorten thripsen zijn multivoltien.

Thripsen kunnen in geweldig grote aantallen voorkomen en in bepaalde gevallen aanzienlijke schade aanrichten aan cultuurgewassen, zoals potplanten en sierbloemen, vooral in kassen, maar ook aan tuinbouwgewassen op akkers.
Thripsen prikken de bladcellen van het oppervlakteweefsel aan en zuigen deze leeg. Dit veroorzaakt op de bladeren zilvergrijze vlekken met kleine donkergroene vlekjes erin. Dit zijn de uitwerpselen. De erwtenthrips is verantwoordelijk voor het gevlekte, zilverachtige uiterlijk van erwtenpeulen. Een aangetaste plant kan minder goed assimileren, groeit daardoor slecht en heeft een verminderde productie aan bloemen en vruchten. Bij ernstige aantasting kunnen de bladeren zelfs helemaal verdrogen. Er zijn ook thripsen die gallen maken en die verantwoordelijk zijn voor allerlei ongewenste vervormingen van bladeren waardoor de planten ook in hun groei worden geremd.
Thripsen kunnen net als cicaden en bladluizen plantenvirussen overbrengen. Het meest bekende virus dat wordt overgebracht wordt is het tomatenbronsvlekkenvirus (TSWV). Verantwoordelijk voor de transmissie is vooral de Californische thrips. Het virus veroorzaakt vooral veel schade in Mediterrane streken.
Ikzelf heb op mijn planten (na 2 tripsenaanvallen) 2 keer het tabaksbontvirus aangetroffen op mn plantjes. Ik dacht eerst aan een freak, maar niets bleek minder waar.
[img]http://www.jointjedraaien.nl/wietforum/attachment.php?attachmentid=12076&d=1251933798[img]
● Systematiek
Binnen de Thysanoptera worden 2 onderordes onderscheiden: de Terebrantia met 7 families en de Tubulifera met maar 1 familie.
De Thysanoptera worden enerzijds beschouwd als een sterk gespecialiseerd taxon met Psocoptera-achtige voorouders. Anderzijds wijst de ontwikkeling van een zuigsnuit en het ontbreken van abdominale cerci op kenmerken die ze delen met de Hemipteroiden (wantsen, cicaden en plantenluizen): de Hemipteroide assemblage. Bij sommige plantenluizen (Sternorrhyncha) is er ook een popachtig stadium in de ontwikkeling. Dit kan op convergente evolutie duiden bij insecten die in eenzelfde soort habitat leven. In beide gevallen is er vermoedelijk geen sprake van gedeelde afstammingslijnen met insecten met een holometabole gedaanteverwisseling.
De Terebrantia worden kenmerkt door de aanwezigheid van een zaagvormige legboor; bij de Tubulifera is het achterlijf buisvormig verlengd zonder legboor. In de Terebrantia bevinden zich de families met de schadelijke soorten. De weinig afgeplatte en breedvleugelige Aeolothripidae zijn vaak gekenmerkt door gekleurde banden op de vleugels en een omhoog gerichte legboor. De soortenrijke Thripidae zijn dikwijls donker gekleurd en hebben een omlaag gerichte legboor. De Tubulifera (familie Phlaeothripidae) zijn vaak veel groter dan de Terebrantia en hebben forse lichamen en zijn vaak schimmeleters of carnivoren. Binnen de Phlaeothripidae komen vrijwel geen schadelijke soorten voor.
● Behandelde taxa
Onderorde Terebrantia
Familie Thripidae
Parthenothrips dracenae (palmenthrips)
2) Verschillende soorten en hun onderscheid:
Het is belangrijk te weten met welke soort thrips je te maken hebt met het oog op het inzetten van natuurlijke vijanden.
De 6 meest voorkomende soorten van thrips zijn:
● Echinothrips americanus – Echinothrips:

bladbewonende thrips, ongeveer 1,2 mm groot. De volwassen thripsen zijn donker gekleurd, poten donker, lichaam slank, puntige vleugelbasis en de rest van de vleugels doorzichtig. De larven zijn wit, doorzichtig en hebben geen druppel aan het achtereinde van het lichaam. De verpopping van deze thrips vindt plaats op het blad. Ze heeft een voorkeur voor de onderkant van de bladeren, maar komen ook op de bovenkant en in de bloemen voor. Opmerkelijk bij deze soort is dat ze vooral onderin het gewas nest. Dit beestje komt vaak voor in kassen.
Natuurlijke vijanden: franklinothrips vespifromis

● Frankliniella occidentalis - californische thrips

ongeveer 1,3-1,4 mm groot. De volwassen thripsen zijn geel tot oranje van kleur en komen vooral in het bovenste gedeelte van de plant voor. Bloemknoppen en groeipunten kunnen ernstig misvormd uitgroeien. Als die aanwezig zijn, trekt de thrips daar naar toe. Deze thrips eet ook stuifmeel en komt daarom vaak in bloemen voor. Ze is moeilijk op te merken soms want verpopping vindt over het algemeen plaats in de grond. Deze thrips gaat niet in diapauze en is gekend voor het overbrengen van virussen… Het probleem bij identificatie is dat ze heel goed lijkt op thrips tabaci – tabaksthrips.
Natuurlijke vijanden: amblyseius cucumeris, - degenerans, - californicus, - swirskii, alle orius soorten, hypoaspis aculeifer, - miles en franklinothrips vespiformis.

● Heliothrips haemorrhoidalis – gestreepte kasthrips

bladbewonende thrips, ongeveer 1,5 mm groot. Ze komt zowel op de bovenkant als de onderkant van blad voor. De volwassen thripsen donker gekleurd, poten licht met een vleugelbasis die licht is van kleur. De vleugels vormen lichte band in de lengterichting van de thrips. De larven van de andere kant zijn geel, vaak met zwarte vlek. Kenmerkend is dat ze hebben een druppel aan het achtereinde van het lichaam, de viezerikken. Deze komt vaak in kassen voor.
Natuurlijke vijanden: thripobius semiluteus

● Hercinothrips femoralis – zwarte kastthrips

bladbewonende thrips, ongeveer 1,5 mm groot. Komen zowel op de bovenkant als op de onderkant van het blad voor. De volwassen thripsen zijn donker gekleurd, poten overwegend donker. De vleugels zijn donker met drie lichtere banden. De larven zijn geel, vaak met zwarte vlek. Ook hier de kenmerkende druppel aan het achtereinde van het lichaam. Deze komt in onze contreien zowel binnen als buiten voor.
Natuurlijke vijanden: franklinothrips vespiformis en thripobius semiluteus.

● Parthenothrips dracaenae – zebrathrips

bladbewonende thrips: volwassen thripsen zitten vaak op bovenkant van het blad, de larven in groepjes bij elkaar op de onderkant. De volwassen exemplaren zijn opvallend dwars gestreept (vleugeltekening). De larven wit, enigszins doorzichtig. Deze thrips doet het goed bij lage luchtvochtigheid.
Natuurlijke vijanden: franklinothrips vespiformis en amblyseiulus degenerans

● Thrips tabaci – tabaksthrips
ongeveer 0,8 -1,2 mm groot. De kleur van volwassen thripsen is afhankelijk van het voedsel. Ze bevinden zich meestal langs de grote nerven maar vooral de bladeren worden beschadigd. Verpopping vindt over het algemeen plaats in de grond. Deze thrips is wel diapauze gevoelig en is staat er ook om bekend virussen over te dragen. Ook hier hetzelfde probleem op gebied van herkenning zoals bij de Frankliniella occidentalis – californische thrips.
Natuurlijke vijanden: amblyseius cucumeris, - degenerans, - californicus, - swirskii, alle orius soorten, hypoaspis aculeifer en – miles.

Maar ze zijn echter met veel meer: dit is een goeie site voor identificatie maar jammer genoeg moet je verder klikken op de naam en wordt het een lange zoektocht als ze niet in het bovenstaande lijstje voorkomt. Ik copieer hier de resultaten omdat je zo misschien makkelijker zelf kunt plakken en copieren en op afbeeldingen gaan zoeken. Het zou ook echter niet heel logisch zijn moest je deze aantreffen in je kast volgens mij omdat ze onze plantjes niet echt lusten…
http://www.pestinfo.org/Literature/thripspec.htm#Eastern_Europe
Acanthothrips nodicornis
Anaphothrips obscurus (American grass thrips)
Anaphothrips spp.
Anaphothrips sudanensis
Apterothrips secticornis
Apterothrips spp.
Aptinothrips rufus
Aptinothrips spp. (grass thrips)
Aptinothrips stylifer
Baliothrips dispar
Ceratothrips ericae (heather thrips)
Ceratothrips spp.
Chaetanaphothrips orchidii
Chaetanaphothrips spp.
Chirothrips aculeatus
Chirothrips hamatus (meadow foxtail thrips)
Chirothrips manicatus
Chirothrips pallidicornis
Chirothrips spp.
Cryptothrips nigripes
Cryptothrips spp.
Dendrothrips ornatus (privet thrips)
Dendrothrips spp.
Drepanothrips reuteri (grape thrips)
Echinothrips americanus
Echinothrips spp.
Frankliniella intonsa
Frankliniella occidentalis (western flower thrips)
Frankliniella pallida
Frankliniella spp. (flower thrips species)
Frankliniella tenuicornis
Haplothrips aculeatus
Haplothrips cerealis
Haplothrips leucanthemi (clover thrips)
Haplothrips spp.
Haplothrips statices
Haplothrips tritici
Heliothrips haemorrhoidalis (black greenhouse thrips)
Heliothrips spp.
Hercinothrips femoralis (banded greenhouse thrips)
Hercinothrips spp.
Hoplothrips corticis
Hoplothrips pedicularius
Hoplothrips spp.
Hoplothrips ulmi
Kakothrips pisivorus (pea thrips)
Leucothrips nigripennis (fern thrips)
Leucothrips spp.
Limothrips angulicornis
Limothrips cerealium (grain thrips)
Limothrips denticornis (barley thrips)
Limothrips schmutzi
Limothrips spp.
Liothrips brevicollis
Liothrips oleae (olive thrips)
Liothrips setinodis
Liothrips spp.
Liothrips vaneeckei (lily thrips)
Microcephalothrips abdominalis (composite thrips)
Mycterothrips consociatus
Mycterothrips spp.
Neohydatothrips gracilicornis
Neohydatothrips spp.
Odontothrips confusus
Odontothrips intermedius
Odontothrips loti (birdsfoot trefoil thrips)
Odontothrips meliloti
Odontothrips phaleratus
Odontothrips spp.
Parthenothrips dracaenae (Dracaena thrips)
Pezothrips dianthi
Pezothrips kellyanus (Kelly's citrus thrips)
Pezothrips spp.
Phlaeothrips coriaceus
Rubiothrips vitis (European grape thrips)
Scirtothrips longipennis (begonia thrips)
Scirtothrips spp.
Stenchaetothrips biformis (rice thrips)
Stenchaetothrips spp.
Stenothrips graminum (oats thrips)
Taeniothrips inconsequens (pear thrips)
Taeniothrips picipes
Taeniothrips spp.
Tenothrips discolor
Tenothrips frici
Tenothrips spp.
Thrips angusticeps
Thrips atratus
Thrips calcaratus (basswood thrips)
Thrips flavus
Thrips fuscipennis
Thrips juniperinus
Thrips linarius (flax thrips)
Thrips major (rose thrips)
Thrips meridionalis (peach thrips)
Thrips minutissimus
Thrips nigropilosus (chrysanthemum thrips)
Thrips palmi (palm thrips)
Thrips parvispinus
Thrips physapus (dandelion thrips)
Thrips pillichi
Thrips pini
Thrips simplex (gladiolus thrips)
Thrips spp.
Thrips tabaci (onion thrips)
Thrips validus
Thrips vulgatissimus
● Tabaksthrips vs Californische thrips:
Dit zijn de 2 thripsen waar wij als cannabis kwekers in de lage landen het meest mee te maken hebben. Identificatie is moeilijk maar kan bestrijding makkelijker maken.
De californische is zeer moeilijk te onderscheiden omdat ze zoveel verschillende kleuren heeft. De vrouwtjes variëren in kleur van licht geel, geel met bruine strepen op het lijf tot donker bruin. De mannelijke variant is meestal licht geel. Volwassen exemplaren zijn ongeveer 1,5 cm lang. Nymfen zijn over het algemeen licht geel van kleur. De californische thrips heeft rood/oranje pigmentatie boven op de rug en de antenne telt 8 segmenten.
Tabaksthrips aan de andere kant kunnen zich aseksueel voortplanten door Thelytoke parthenogynese. Dit wil zeggen dat een populatie mogelijk enkel uit vrouwtjes kan bestaan. Mannelijke tabaksthrips worden zelden tot nooit gesignaleerd. Het vrouwelijke exemplaar is net iets kleiner dan dat van de californische, 1,2 mm lang. De kleur van het lichaam is afhankelijk van de voeding maar er wordt ook beweert dat lichte kleuren vooral voorkomen wanneer het warm is en donkere wanneer het koeler is. De antennesegmenten I en de basis van de segmenten III tot V zijn bruin/wit terwijl de rest bruin is. Hun rugsegment is grijs en niet met rode vlekken en heft een antenne met 7 segmenten. De nymfen van deze soort zijn eerder licht van kleur.



























Comment