Een derde episode in de oorlog tegen drugs in Nederland. Na de verspreiding van een hennepgeurkaart in Rotterdam en Den Haag en de in-de-wind-geslagen adviezen van de commissie van Kofi Annan, geeft de Raad van State, Nederlands hoogste rechter als het gaat om bestuursrechtelijke zaken, gemeenten een hint om een gemeentelijk blowverbod toe te kunnen passen. Het door de gemeente Amsterdam ingestelde blowverbod werd onwettig verklaard en dus leek het in de media alsof blowers de strijd tegen het blowverbod hadden gewonnen, maar niets is minder waar. De rechter voert de druk op het gedoogbeleid verder op. Hoe zit dat dan in elkaar?
Dit artikel is in samenwerking met multimediamobsters.nl
Onlangs voerden een aantal bewoners uit de Amsterdamse Pijp een proces tegen de gemeente Amsterdam. Zij eisten dat de burgemeester een blowverbod zou instellen op een pleintje op basis van een gemeentelijke regel (artikel 2.17) die in 2005 na volgens de gemeente Amsterdam met succes verlopen experimenten werd opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Bij een nieuw verbod, hoorde een nieuw verbodsbord. Daarom introduceerde de gemeente Amsterdam een immens populair bord dat binnen de kortste keren gejat werd.
Terug naar het pleintje: Op het pleintje hadden de omwonenden last van blowende overlastgevende jongeren. Volgens de buurtbewoners was het onveilig voor spelende kinderen en waren de blowende gastjes een slecht voorbeeld voor de kids. In principe een begrijpelijk probleem, maar voor de rechter geen aanleiding om een gemeentelijke regeling te gebruiken. De rechter stelde dat de Opiumwet al in een blowverbod voorziet (Artikel 11) en de gemeente dan niet in staat is een verbodsbepaling via een eigen regel op te leggen, als die van de nationale overheid voldoende zijn.
Het blowverbod werd in 2001 geïntroduceerd door de gemeente Venlo en past goed in de hernieuwde belangstelling voor de aanpak van cannabisgebruikers (waarom hernieuwd? lees hieronder wat er tot de jaren ’70 gebeurde). De gemeente Venlo is één van de gemeenten in Nederland waar veel overlast is van drugstoerisme en een verbod werd als mooie aanvulling in hun drugsbeleid Hektor beschouwd. Gemeenten zijn wel vaker creatief met de regels, zo getuige ook de berichten uit 2009(1, 2) waarin melding werd gemaakt dat minstens 289 gemeenten (66% van de gemeenten in Nederland) in de APV een blowverbod heeft opgenomen. Onder hen waren de gemeente Bunschoten-Spakenburg en de gemeente Barneveld die een blowverbod instelde voor een niet bestaand probleem: er waren nog geen blowende jongeren op straat waar mensen last van hadden. Gewoon ‘handig’ voor in de gereedschapskist, mocht de politie het ooit nodig hebben.
Tom Blom, professor aan de Universiteit van Amsterdam, schreef een boek over de geschiedenis van het Nederlandse drugsbeleid waarin hij ook stil staat bij het gedoogbeleid voor cannabis. Bij het maken van onze huidige basis van de Opiumwet rond 1976 werd geworsteld met de vraag of decriminalisering van drugsgebruik moest plaatsvinden. Men vond drugsgebruik meer iets dat thuishoorde in de gezondheidszorg dan in het strafrecht. Deze liberale en ook pragmatische redenering kwam voort uit een plots opkomend probleem met drugsgebruik in de hippiecultuur van de jaren ’60. Tot eind jaren ’60 werd in Nederland namelijk een volledig verbod gehandhaafd op het gebruik van alle drugs die op de lijst verboden middelen staan. Dit leidde er in de jaren ’60 toe dat hordes jonge (en vaak ook hoogopgeleide) cannabisgebruikers werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen. Dit strenge optreden zorgde ervoor dat het justitiële apparaat langzaam verstopt raakte met relatief schadeloze gedragingen en zo veranderde langzaam de opsporingsprioriteiten van de politie op dit vlak, werd steeds vaker een politiesepot aangeboden en ging de politiek op zoek naar alternatieven om het strafrecht en de internationale verplichtingen te omzeilen. In 1976 kwam de wetgever met een oplossing in de vorm van de Opiumwet 1976.
De Opiumwet 1976 verbiedt (Artikel 13) bezit van cannabis. Je mag dus geen cannabis op zak hebben, dit is een overtreding. De Minister (Artikel 11 lid 6) heeft de politie en het Openbaar Ministerie opgedragen het bezit van 5 gram hasj of wiet en een verkoopmaximum van eenzelfde hoeveelheid per klant toe te staan in de coffeeshop. Het bezit van een bepaalde hoeveelheid wordt dus gedoogd, maar is desalniettemin een criminele gedraging.
Voor de Raad van State is dit in 2011 voldoende om het gemeentelijke blowverbod onwettig te verklaren: het gebruik van drugs in de openbare ruimte is automatisch verboden als het bezit verboden is, een gemeente kan geen dubbel verbod creëren als er al een nationale regeling is. In de toelichting op de Opiumwet wordt immers gezegd dat onder aanwenden zowel bezit als gebruik moet worden verstaan. 1 + 1 = 2, bezit strafbaar, gebruik strafbaar, gebruik in de openbare ruimte strafbaar, dus gemeentelijke regeling overbodig en dus onwettig. Wat gemeenten in de huidige situatie wel kunnen doen, is gebruikmaken van de bevoegdheden die zij in de Gemeentewet hebben gekregen. Volgens de Gemeentewet (Artikel 174a) kan de burgemeester namelijk besluiten om in het kader van de openbare orde, dus ook bij drugsoverlast, een openbare ruimte te sluiten. Eigenlijk kunnen gemeenten dus al van een algemene bevoegdheid gebruik maken, als er maar overlast is. Een specifiek blowverbod lijkt dan ook verder te gaan dan overlast tegengaan, zoals gemeenten beweren, het blowen op zich wordt hier eigenlijk al bestraft.
De gemeente Heerlen kondigde aan haar blowverbod over de hele stad uit te vaardigen. Dat de uitspraak van de Raad van State niet verder voor interpretatie vatbaar is, daar heeft de burgemeester blijkbaar schijt aan.
De politie in Heerlen, belast met de handhaving van de rechtsorde, liet daarop weten geen gehoor te geven aan het verbod en blowers niet op de bon te slingeren. Ze wachten liever op een verbod via de Opiumwet. De politie lijkt daar de publieke blowers voorlopig nog te vriend te houden. Ook het creatieve algemene blow- en alcoholverbod in het kader van de handhaving van de openbare orde dat de gemeenten Urk en Heerhugowaard in februari afkondigde, lijkt geen stand te houden. Ivo Opstelten gaf in maart al aan dat dit disproportioneel is, omdat niet in heel de gemeente een overlastprobleem bestaat. De Raad van State gooide daar haar uitspraak nog eens overheen. Voor de Gemeente Heerlen één rechter en één linker klap in het gezicht.
Er zijn nu dus nog twee mogelijkheden voor de Nederlandse gemeenten om overlast van blowers tegen te gaan. De eerste bestaat al en is gebruik maken van de Gemeentewet en plaatsen waar overlast wordt veroorzaakt sluiten voor publiek. De tweede mogelijkheid zal minder goed uitpakken voor publieke blowers. Nu sommige gemeenten weigeren hun blowverbod in te trekken, blijkt dat er animo is voor een politieke lobby in Den Haag: aanpassing van de aanwijzing van de Minister en de gedoogde hoeveelheid van 5 gram cannabis verlagen naar 0. De publieke cannabisgebruiker lijkt een spannende tijd tegemoet te gaan…


Menu
Wiet Legaliseren?
Systeembericht