Roofmijten - Sluipwespen - Lieveheersbeestjes - Orius - Gaasvlieg - Brandnetel - Knoflook - Heermoes - Neemolie - Afrikaantjes -
Onze natuurlijke vrienden.
Roofmijten
Spint is een plaag die weinig buiten en binnen teelten spaart. Vooral bij droog en warm weer kan een populatie Spintmijten razendsnel toenemen. Sinds vele jaren wordt spint met succes met de roofmijt Phytoseiulus persimilis bestreden.
Biologie: Phytoseiulus persimilis
86-large_default.jpg
De roofmijt Phytoseiulus persimilis is oorspronkelijk uit Chili afkomstig, maar is ondertussen door de mens, bewust of onbewust, al over grote delen van de wereld verspreid. Een Phytoseiulus-roofmijt is ongeveer even groot als een kasspintmijt, maar heeft een lichtrode kleur, staat iets hoger op de poten en is veel mobieler. Er komen ongeveer viermaal zoveel vrouwtjes als mannetjes voor.
Het vrouwtje legt haar eitjes steeds in of vlakbij een spintmijtkolonie. Ze zijn van een spinteitje te onderscheiden door de ovale vorm, de licht-oranje kleur en doordat ze ongeveer tweemaal zo groot zijn. De zespotige larve eet niet. Net zoals bij kasspint wordt het larvenstadium gevolgd door het protonimfe-, het deutonimfe- en het adulte stadium.
Tussen de ontwikkelingsstadia komt er echter geen rustfase voor. Na het volwassen worden, duurt het bij 20°C ongeveer 2 dagen voor de roofmijt eitjes legt. De ontwikkeling duurt onder normale omstandigheden korter dan die van kasspint, en bedraagt 5 dagen bij 30°C, 9 dagen bij 20°C en 25 dagen bij 15°C. Zonder bevruchting kan het vrouwtje geen eitjes leggen. Bij 20°C legt ze gedurende 22 dagen ongeveer 54 eitjes, maar soms kan dit oplopen tot 75.
Onder normale omstandigheden groeit een roofmijtpopulatie dus sneller dan een spintpopulatie. Bij hogere temperaturen (boven 30°C) of bij droger weer (luchtvochtigheid van minder dan 60%) is de spintmijt echter bevoordeeld en loopt de bestrijding minder goed. Bij te lage luchtvochtigheid verschrompelt het eitje van de roofmijt.
Het dieet van Phytoseiulus bestaat praktisch uitsluitend uit spintmijten. Slechts bij gebrek hiervan eet de roofmijt haar soortgenoten op. Een volwassen roofmijt verorbert alle stadia van de spintmijt, terwijl de nimfen enkel spinteitjes en protonimfen lusten. Dagelijks kan een volwassen Phytoseiulus ca. 20 spinteieren of larven, 13 protonimfen of 5 volwassen spintmijten verslinden.
Vanwege de snellere ontwikkeling en grote eetlust kan de roofmijt een spinthaard volledig uitroeien. Hoewel Phytoseiulus-nimfen dan meestal toch nog ter plaatse blijven, gaan de volwassenen wel op zoek naar andere haarden. Als de planten elkaar raken, kan de roofmijt zich vrij snel verspreiden in het gewas.
Toepassing.
Phytoseiulus kan op allerlei groenten- en sierteelt gewassen in kassen worden toegepast, zoals paprika, komkommer, meloen, aubergine, aardbei, snijboon, gerbera, roos en allerlei potplanten. Voor een geslaagde biologische bestrijding van spint is het van belang de plaag tijdig te signaleren om ze snel onder controle te krijgen. Aangezien een spintpopulatie zich in de zomer sneller vermeerdert en zo biologisch moeilijker bij te houden is, kan men ze het beste onmiddellijk vanaf het vroege voorjaar biologisch bestrijden van zodra de spintmijten uit hun winterslaap komen.
Na het waarnemen van de eerste spinthaarden wordt zo snel mogelijk Phytoseiulus uitgezet. Afhankelijk van de teelt en de omstandigheden komt men volvelds in het totaal aan een introductie van 4 à 6 Phytoseiulus/m². Op en rondom de aangetaste planten zet men ca. 20 roofmijten/m² uit. In normale omstandigheden is Phytoseiulus in staat spint voor de rest van het teeltseizoen onder controle te houden. Bij droog en warm weer kunnen zich echter nog problemen voordoen. Uit ervaring is gebleken dat men dan de bestrijding met Phytoseiulus kan bijstaan door de vochtigheid op peil te houden door onder hoge druk en met fijne dop te broezen.
Gebruiksaanwijzing
Na levering moeten de roofmijten zo vlug mogelijk uitgezet worden. Het materiaal kan eventueel kort bewaard worden. Bewaar de flesjes liggend op een koele (6-10°C) en donkere plaats.
Laat het flesje met de roofmijten vóór gebruik op temperatuur komen. Draai en schud verschillende malen lichtjes met het flesje, zodat de roofmijten gelijkmatig verdeeld tussen de vermiculietvlokken voorkomen.
Vermijd te hoge temperaturen in het flesje met Phytoseiulus (warmte van de handen!).
Verwijder het plakkertje van de strooiopening. Strooi het materiaal uit op de bladeren. Strooi nooit door verwijdering van de draaistop (anders worden te veel roofmijten op te weinig plaatsen uitgezet!).
Met één flesje kan ongeveer 190 maal gestrooid worden. Per gestrooid hoopje zitten dan gemiddeld een zes- tot zevental roofmijten. Zet Phytoseiulus uit vanaf het moment dat de eerste spint voorkomt. Men zet minimaal 2-3 roofmijten per m² uit. Indien nodig wordt ongeveer twee weken later een tweede maal uitgezet. In de haarden mogen tot 20 Phytoseiulus/m² uitgezet worden.
Voor een goede roofmijtontwikkeling moet de relatieve luchtvochtigheid vrij hoog zijn (65% of meer) en dient de omgevingstemperatuur regelmatig boven de 20°C te komen.
Lieveheersbeestjes
Hier word uitgelegd welke meest voorkomende lieveheersbeestjes er zijn in Belgie en Nederland, en hoe nuttig deze diertjes wel kunnen zijn voor de cannabis teelt.

Omschrijving.
Helder gekleurde keversoort, meestal rood of geel met zwarte stippen. Ovaal, bijna rond van vorm. Een groot deel van de kop en het borststuk wordt bedekt door het halsschild, het achterlijf is bedekt door de twee dekschilden (de harde voorste vleugels).
Biotoop.
Leeft op struiken, bomen en planten
Wordt +-1cm groot
In april en mei. Er worden 100 tot 200 eieren gelegd. De totale levenscyclus (ei - larve - pop- kever ) duurt 4 tot 7 weken.
Voeding.
Bladluizen, behalve het 24 stippelig lieveheersbeestje, dat zich met plantenmateriaal (klaver) voedt.

Tweestippelig lieveheers-
beestje
(Adalia bipunctata)
voedt zich met vele bladluissoorten vnl.
op loofhout.
zeer algemeen, heel Belgie en Nederland.

Zevenstippelig lieveheers-
beestje
(Coccinella septempunc-
tata)
voedt zich met vele bladluissoorten waaronder
vele die schadelijk zijn op vruchtbomen
en groenten, maar ook larven van
bladhaantjes en thrips worden gegeten.
zeer algemeen, in heel Nederland en belgie, soms massaal
langs de stranden.

Elfstippelig lieveheers-
beestje
(Coccinella undecim-
punctata)
voedt zich met bladluizen vnl. op allerlei
kruiden en in de duinstreek ook op grassen,
daar soms in grote aantallen, vrijwel niet op
bomen en struiken.
algemeen, in heel Nederland en belgie.

Veertienstip-
pelig lieve-
heersbeestje
(Propylea quatuordecim-
punctata)
voedt zich met vele bladluissoorten.
zeer algemeen, heel Nederland.

Zestienpunt lieveheers-
beestje
(Tytthaspis sedecimpunc-
tata)
voedt zich met meeldauw-
schimmels, bladluizen
en stuifmeel van gras.
niet zeldzaam, langs de kust en grote rivieren en
op vochtige heideterreinen.

Tweeëntwin-
tigstippelig lieveheers-
beestje
(Psyllobora vigintiduo-
punctata)
voedt zich met meeldauw-
schimmels op eiken,
kornoelje en erwten, ook op bloeiende toorts,
hop, alsem en bosrank.
vrij algemeen, heel Belgie en Nederland.

Oogvleklieve-
heersbeestje
(Anatis ocellata)
voedt zich met vele bladluissoorten op
naaldhout.
algemeen, heel Nederland en Belgie, soms talrijk met duizenden
langs de stranden.

Viervleklieve-
heersbeestje
(Exochomus quadripust-
ulatus)
voedt zich met schildluizen en bladluizen.
leeft vrijwel uitsluitend op bomen.
algemeen op
de zandgron-den.
Nu als u er tegen komt die niet gelijken op de klassieke lieveheersbeestje, kan je altijd deze meest voorkomende lijst met de lieveheersbeestjes raadplegen.
Orius
Orius.jpg
Orius Laevigatus, ook wel de bloemenwants genoemd omdat ze zich van nature daar heel vaak bevindt, is een kleine, afgeplatte wants met een lange, beweeglijke steeksnuit. Ze is ovaalvormig en maar 3 mm groot, de mannetjes zijn iets kleiner. Opvallend zijn de rode ogen. De eieren zijn onzichtbaar en liggen ingebed in het plantenweefsel. De nimfen zijn vleugellozen insecten, in het begin geel van kleur. De oudere nimfen zijn geel met bruine vlekken. In de latere stadia neemt de nimf meer en meer de donkere kleur van de volwassen roofwants aan. De volwassen roofwants leeft zo’n 3 à 4 weken.
Orius-roofwantsen eten alle mobiele tripsstadia. Jongere Orius-nimfen eten wel alleen tripslarven, maar oudere nimfen en adulten kunnen ook volwassen tripsen aan. Bovendien lust Orius ook allerlei andere prooien zoals bladluizen, spint, wittevlieg of motteneieren. Ze doden soms meer dan nodig is voor hun voeding. Ze vinden hun prooi perfect op de tast, houden haar vast met de voorpoten en zuigen haar met hun steeksnavel leeg.
Sluipwespen
sluipwesp 1.jpg
De sluipwesp is zeer efficiënt voor de bestrijding van grotere bladluizen, en witte vlieg. Het parasiteert volwassenen en nimfen. Parasitisme is gemakkelijk te herkennen door de goud-bruin gekleurde mummies. Een vrouwtje kan honderden eitjes leggen gedurende de eerste 4 dagen van haar volwassen leven. A. ervi is een goede zoeker. Ze kunnen bladluishaarden op een lange afstand vinden door het detecteren van "alarmsignalen" die een aangetaste plant produceert of door de geur van honingdauw dat uitgescheiden wordt door de gastheren.
De aanwezigheid van een sluipwesp kan zo'n paniek veroorzaken in een bladluiskolonie dat sommige bladluizen op de grond vallen, waar ze meestal sterven.
Sluipwespen zijn ook zeer effectief tegen de witte vlieg!
Ook hier spreken we over parasitisme op de witte vlieg. Vanaf de vrouwelijke sluipwespen volwassen zijn zullen ze volop eitjes op hun prooi gaan injecteren, vanaf de larven actief zijn zullen ze in geen tijd hun gastheer volledig vanbinnen opvreten, zo kan de witte vlieg zich niet voorzetten.
Gaasvlieg


Algemeen.
Het lichaam van de gaasvlieg is dun en langwerpig en de kleur is groen tot geelgroen. De gaasvlieg lijkt enigszins op een mug, maar de vleugels zijn veel groter, ronder en duidelijk fijn geaderd. De vleugels worden in rust als een afdakje op de rug gevouwen en in de vlucht glinsteren de vleugels vaak door een lichte, parelmoerachtige glans. Het is bepaald geen snelle of behendige vlieger en het kan dan ook makkelijk uit de lucht worden gevangen. Alle vier de vleugels hebben dezelfde vorm en kunnen onafhankelijk van elkaar bewogen worden. Gaasvliegen zijn kwetsbaar; de vleugels zijn snel beschadigd en dan kan er niet meer naar planten gevlogen worden om te eten.
Voorkomen en voedsel.
Gaasvliegen zijn er in vele soorten en maten, de bekendste andere soort is de bruine gaasvlieg (Micromus variegatus), die minder algemeen is. De groene gaasvlieg komt in alle werelddelen voor, behalve Australië en Antarctica. Hij is nuttig omdat deze gaasvlieg enorme hoeveelheden bladluizen eet, vooral als larve. Het imago eet voornamelijk de uitwerpselen van bladluizen (honingdauw) en pollen of stuifmeel. Vrouwtjes eten ook wel eens een luis, vooral als ze zwanger zijn en eitjes hebben. Bladluizen vormen het enige voedsel van de larven, die echte eetmachines zijn en lijken op de larven van lieveheersbeestjes. Bladluizen worden niet opgegeten maar leeggezogen en ook spint en witte vlieg, twee andere beruchte plantenplagen, worden gegeten. Vooral in de kassenteelt worden gaasvliegen massaal ingezet om bladluizen op te ruimen, een enkele larve eet tot wel 50 luizen per dag.
Ontwikkeling.

De eitjes worden afgezet tussen bladluizenkolonies, en staan op lange steeltjes. Dit dient om mieren op afstand te houden, die graag de honingdauw van de luizen opzuigen en de luizen beschermen. De larve is plat en rupsachtig en heeft een bruine, onregelmatige kleur, drie paar kleine pootjes en lange, tang-achtige kaken. Sommige soorten gaasvliegenlarven camoufleren zich met stukjes plant of dode luizen om zo aan de aandacht van mieren te ontsnappen. Als de larve na enige tijd verpopt wordt een spinsel gemaakt tussen de vegetatie. Er komen twee generaties per jaar, en in de winter overwintert het imago, vaak in huizen. Tijdens deze rustperiode kleurt de gaasvlieg bruin, maar in de lente wordt de kleur weer groen.
Natuurlijke aftreksels
Brandnetel
kbrandnetel.jpg
Voornaamste stof is mierenzuur, dat zijn die prikkels die men voelt bij aanraking van het blad.
Aftreksel:1kg verse brandnetel in 10 liter water Na 12 tot 16 uur (er mag nog geen gisting optreden) Afzeven en overdund op het gewas sproeien.
Eventueel kan je het nog verdunnen met zachte zeep.
Gier:Hetzelfde mengsels 4 tot 5 dagen laten staan onder regelmatig roeren
en bijvoegen van gesteentemeel. 10 keer verdunnen en op de grond gieten.
Niet op de cannabis planten gieten, en niet in volle zon!
Helpt verscheidene insecten te weren. Spint, luis, ...
Knoflook
knoflook.jpg
Aftreksels:50 tot 75 gram gesnipperde teentjes. Of 20 gram look poeder.
Laten intrekken in 1 liter water. Zeven en 10 keer verdunnen.
Poeder:Knoflooktenen vermalen en laten drogen tot poeder.
De knoflook zou een werkende geur verspreiden die vogels en insecten weg houden van de plant, ook heeft de knoflook een heilend effect tegen schimmels, de lookpoeder mag je in kleine mate bij zaailingen strooien.
Heermoes

Heermoes bevat veel kiezelzuur.
Aftreksel:200 gram verse of 30 gram gedroogde heermoes op één liter water, 20 minuten laten koken, van het vuur afnemen en 24 uur laten staan.
Daarna zeven door een nylonkous.
1 op 4 verdunnen voor het spuiten.
In de lente diverse keren bespuiten in de ochtend bij droog weer.
Deze aftreksels zijn 100% biologisch, de meeste aftreksel hierboven zijn goed te gebruiken als er schimmelweer op komst is, geven de cannabis of andere gewassen veel meer weerstand en helpen tegen schimmels en bladluizen.
Neemolie

Neemolie, het is een in onze regionen tot nog toe vrij onbekend produkt.
Neemolie is de olie die gewonnen wordt uit de vruchten van de neemboom (Azadirachta indica), een van de twee planten uit het geslacht Azadirachta. De plant komt van oorsprong uit Indië en Birma, in tropische tot sub-tropische regios.
Het is een groen blijvende, snel groeiende boom, die doorgaans een hoogte van 15 to 20 meter bereikt. Ze gedijen in droge warme streken, zo zijn er in mekka 50000 neembomen aangeplant om de pelgrims wat verkoeling en schaduw te brengen.
Gebruiken:
De plant heeft ontelbare medische toepassingen, gaande van maagklachten tot hoge cholesterol, type 2 diabetes en ontelbare andere kwalen en aandoeningen.
Sinds lange tijd worden de twijgjes in delen van Indië en pakistan gebruikt om de tanden te poetsen, dat is mogelijk een van de oudste manieren van tandverzorging die we kennen.
Alle delen van de boom worden gebruikt bij het bereiden van allerhande preparaten en middeltjes.
De plant en de olie bevatten bepaalde terpenoiden die een pesticide werking bezitten, ze helpen tegen allerhande bijtende en zuigende insecten, gaande van muggen bij de mens tot bladluizen op planten.
Het produkt blijkt maar weingi invloed te hebben op nuttige insekten, wat zeer zeker een pluspunt is bij het gebruik, lievenheersbeestjes, oorwormen, enz... lijken er weinig last van te ondervinden, hetzeflde gaat op voor vlinders, bijen, enz...
De plant, de olie en aftreksels van plantdelen blijken ook effectief tegen acne en puistjes, allerhande huid en haar problemen, voet- en andere schimmels, schurft, luizen, teken, vlooien, mijten, enz...
De jonge scheuten van de boom worden gegeten als groente in Indië, na het koken blijft de plant echter een bittere smaak houden en dat wordt niet door iedereen even goed gesmaakt, maar het wordt wel gegeten omwille van de vele goede eigenschappen en uitwerkingen op de gezondheid.
In bepaalde streken in Indië wordt een neemboom in het midden van het dorp aangeplant, die doet dienst als apotheek voor het ganse dorp.
De beste neemolie is die, die verkregen is door koude persing van de vruchten, dit is de meest werkzame olie.
Op planten worden het verdund gebruikt in water, daar is wel een tenside voor nodig om de olie wateroplosbaar te maken, voor degene die echt enkel biologisch willen werken is daarvoor yucca-extract aan te raden, sommige geburiken ook een milde soort afwasmiddel.
De aangeraden dosis ligt tussen 2 en 5 % neemolie in water en tenside of yucca-extract.
Afrikaantjes


Woordje uitleg
Afrikaantje (Tagetes) is een geslacht van eenjarige planten uit de composietenfamilie (Compositae of Asteraceae). Er zijn vele tientallen soorten die van nature voorkomen in de warmere streken van Midden-Amerika en vooral in Mexico. De naam "afrikaantje" slaat dus niet op het gebied van herkomst.
Tegenwoordig is het afrikaantje een bekende tuinplant. Aan het einde van de 16e eeuw werden de soorten Tagetes patula en Tagetes erecta in Europa ingevoerd. Sindsdien zijn er vele hybriden verschenen.
Biologische agressor: de aanplant van Tagetes heeft zo zijn inwerking tegen nematoden of wortellesieaaltjes (Pratylenchus) in de bodem.
Zij worden dus ingezet om beschadiging te voorkomen van bepaalde gewassen in de biologische tuinbouw. Het vrijlevende wortelaaltje dringt niet in de wortel van de plant, maar eet wel zijn wortel. Wij noemen dit ectoparasitisch gedrag, de aaltjes die binnen de plant(wortel) "verblijven", noemen we endoparasitisch.
Hoe werkt de agressor tegen deze aaltjes (Pratylenchus-soorten): het is eigenlijk een "chemische reaktie" die plaats vindt bij het aanvreten van de wortel, waarbij de plant zich gaat verdedigen.
In het vakjargon zouden we zeggen: de wortelcel in de endodermis (die thiofenen bevat) ofwel een vorm van zwavel, gaat een reactie vormen bij het aanvreten. (Daar de plant onmiddellijk peroxidase gaat vormen en een binding aangaat met zwavel). De dodelijke combinatie van zwavel met peroxidase geeft ozon tot gevolg, wat de aaltjes tot slot zal vernietigen. Kortom het is een goede buurplant van de cannabis maar zeker ook voor bolgewassen, aardappelen, aardbeien, rozen, enz..
Goudsbloem
Goudsbloem (Calendula officinalis) is een winterharde, eenjarige plant. De plant bloeit van juni tot en met september (soms nog langer) met oranje/ gele schijfbloemen van 4 tot 7 cm doorsnee. De bloemen hebben aan het einde van hun bloemblaadjes drie tandjes.
goudsbloem.jpg
De bladeren zijn groen, harig, en peddelachtig van vorm. De bladeren zijn gaafrandig. De stengel van Goudsbloem is groen, sappig, hoekig, vertakt en bedekt met haartjes. De plant wordt tussen 30 en 50 cm hoog.
Het zaad van Goudsbloem is beige, 5 mm lang, gevormd zoals een apostrof met een knobbelige ruggengraat. Werkt goed tegen mieren en ongedierte.
goudsbloemzaden.jpg
bronnen: wikipedia, google
Grtz
Onze natuurlijke vrienden.
Roofmijten
Spint is een plaag die weinig buiten en binnen teelten spaart. Vooral bij droog en warm weer kan een populatie Spintmijten razendsnel toenemen. Sinds vele jaren wordt spint met succes met de roofmijt Phytoseiulus persimilis bestreden.
Biologie: Phytoseiulus persimilis
86-large_default.jpg
De roofmijt Phytoseiulus persimilis is oorspronkelijk uit Chili afkomstig, maar is ondertussen door de mens, bewust of onbewust, al over grote delen van de wereld verspreid. Een Phytoseiulus-roofmijt is ongeveer even groot als een kasspintmijt, maar heeft een lichtrode kleur, staat iets hoger op de poten en is veel mobieler. Er komen ongeveer viermaal zoveel vrouwtjes als mannetjes voor.
Het vrouwtje legt haar eitjes steeds in of vlakbij een spintmijtkolonie. Ze zijn van een spinteitje te onderscheiden door de ovale vorm, de licht-oranje kleur en doordat ze ongeveer tweemaal zo groot zijn. De zespotige larve eet niet. Net zoals bij kasspint wordt het larvenstadium gevolgd door het protonimfe-, het deutonimfe- en het adulte stadium.
Tussen de ontwikkelingsstadia komt er echter geen rustfase voor. Na het volwassen worden, duurt het bij 20°C ongeveer 2 dagen voor de roofmijt eitjes legt. De ontwikkeling duurt onder normale omstandigheden korter dan die van kasspint, en bedraagt 5 dagen bij 30°C, 9 dagen bij 20°C en 25 dagen bij 15°C. Zonder bevruchting kan het vrouwtje geen eitjes leggen. Bij 20°C legt ze gedurende 22 dagen ongeveer 54 eitjes, maar soms kan dit oplopen tot 75.
Onder normale omstandigheden groeit een roofmijtpopulatie dus sneller dan een spintpopulatie. Bij hogere temperaturen (boven 30°C) of bij droger weer (luchtvochtigheid van minder dan 60%) is de spintmijt echter bevoordeeld en loopt de bestrijding minder goed. Bij te lage luchtvochtigheid verschrompelt het eitje van de roofmijt.
Het dieet van Phytoseiulus bestaat praktisch uitsluitend uit spintmijten. Slechts bij gebrek hiervan eet de roofmijt haar soortgenoten op. Een volwassen roofmijt verorbert alle stadia van de spintmijt, terwijl de nimfen enkel spinteitjes en protonimfen lusten. Dagelijks kan een volwassen Phytoseiulus ca. 20 spinteieren of larven, 13 protonimfen of 5 volwassen spintmijten verslinden.
Vanwege de snellere ontwikkeling en grote eetlust kan de roofmijt een spinthaard volledig uitroeien. Hoewel Phytoseiulus-nimfen dan meestal toch nog ter plaatse blijven, gaan de volwassenen wel op zoek naar andere haarden. Als de planten elkaar raken, kan de roofmijt zich vrij snel verspreiden in het gewas.
Toepassing.
Phytoseiulus kan op allerlei groenten- en sierteelt gewassen in kassen worden toegepast, zoals paprika, komkommer, meloen, aubergine, aardbei, snijboon, gerbera, roos en allerlei potplanten. Voor een geslaagde biologische bestrijding van spint is het van belang de plaag tijdig te signaleren om ze snel onder controle te krijgen. Aangezien een spintpopulatie zich in de zomer sneller vermeerdert en zo biologisch moeilijker bij te houden is, kan men ze het beste onmiddellijk vanaf het vroege voorjaar biologisch bestrijden van zodra de spintmijten uit hun winterslaap komen.
Na het waarnemen van de eerste spinthaarden wordt zo snel mogelijk Phytoseiulus uitgezet. Afhankelijk van de teelt en de omstandigheden komt men volvelds in het totaal aan een introductie van 4 à 6 Phytoseiulus/m². Op en rondom de aangetaste planten zet men ca. 20 roofmijten/m² uit. In normale omstandigheden is Phytoseiulus in staat spint voor de rest van het teeltseizoen onder controle te houden. Bij droog en warm weer kunnen zich echter nog problemen voordoen. Uit ervaring is gebleken dat men dan de bestrijding met Phytoseiulus kan bijstaan door de vochtigheid op peil te houden door onder hoge druk en met fijne dop te broezen.
Gebruiksaanwijzing
Na levering moeten de roofmijten zo vlug mogelijk uitgezet worden. Het materiaal kan eventueel kort bewaard worden. Bewaar de flesjes liggend op een koele (6-10°C) en donkere plaats.
Laat het flesje met de roofmijten vóór gebruik op temperatuur komen. Draai en schud verschillende malen lichtjes met het flesje, zodat de roofmijten gelijkmatig verdeeld tussen de vermiculietvlokken voorkomen.
Vermijd te hoge temperaturen in het flesje met Phytoseiulus (warmte van de handen!).
Verwijder het plakkertje van de strooiopening. Strooi het materiaal uit op de bladeren. Strooi nooit door verwijdering van de draaistop (anders worden te veel roofmijten op te weinig plaatsen uitgezet!).
Met één flesje kan ongeveer 190 maal gestrooid worden. Per gestrooid hoopje zitten dan gemiddeld een zes- tot zevental roofmijten. Zet Phytoseiulus uit vanaf het moment dat de eerste spint voorkomt. Men zet minimaal 2-3 roofmijten per m² uit. Indien nodig wordt ongeveer twee weken later een tweede maal uitgezet. In de haarden mogen tot 20 Phytoseiulus/m² uitgezet worden.
Voor een goede roofmijtontwikkeling moet de relatieve luchtvochtigheid vrij hoog zijn (65% of meer) en dient de omgevingstemperatuur regelmatig boven de 20°C te komen.
Lieveheersbeestjes
Hier word uitgelegd welke meest voorkomende lieveheersbeestjes er zijn in Belgie en Nederland, en hoe nuttig deze diertjes wel kunnen zijn voor de cannabis teelt.

Omschrijving.
Helder gekleurde keversoort, meestal rood of geel met zwarte stippen. Ovaal, bijna rond van vorm. Een groot deel van de kop en het borststuk wordt bedekt door het halsschild, het achterlijf is bedekt door de twee dekschilden (de harde voorste vleugels).
Biotoop.
Leeft op struiken, bomen en planten
Wordt +-1cm groot
In april en mei. Er worden 100 tot 200 eieren gelegd. De totale levenscyclus (ei - larve - pop- kever ) duurt 4 tot 7 weken.
Voeding.
Bladluizen, behalve het 24 stippelig lieveheersbeestje, dat zich met plantenmateriaal (klaver) voedt.

Tweestippelig lieveheers-
beestje
(Adalia bipunctata)
voedt zich met vele bladluissoorten vnl.
op loofhout.
zeer algemeen, heel Belgie en Nederland.

Zevenstippelig lieveheers-
beestje
(Coccinella septempunc-
tata)
voedt zich met vele bladluissoorten waaronder
vele die schadelijk zijn op vruchtbomen
en groenten, maar ook larven van
bladhaantjes en thrips worden gegeten.
zeer algemeen, in heel Nederland en belgie, soms massaal
langs de stranden.

Elfstippelig lieveheers-
beestje
(Coccinella undecim-
punctata)
voedt zich met bladluizen vnl. op allerlei
kruiden en in de duinstreek ook op grassen,
daar soms in grote aantallen, vrijwel niet op
bomen en struiken.
algemeen, in heel Nederland en belgie.

Veertienstip-
pelig lieve-
heersbeestje
(Propylea quatuordecim-
punctata)
voedt zich met vele bladluissoorten.
zeer algemeen, heel Nederland.

Zestienpunt lieveheers-
beestje
(Tytthaspis sedecimpunc-
tata)
voedt zich met meeldauw-
schimmels, bladluizen
en stuifmeel van gras.
niet zeldzaam, langs de kust en grote rivieren en
op vochtige heideterreinen.

Tweeëntwin-
tigstippelig lieveheers-
beestje
(Psyllobora vigintiduo-
punctata)
voedt zich met meeldauw-
schimmels op eiken,
kornoelje en erwten, ook op bloeiende toorts,
hop, alsem en bosrank.
vrij algemeen, heel Belgie en Nederland.

Oogvleklieve-
heersbeestje
(Anatis ocellata)
voedt zich met vele bladluissoorten op
naaldhout.
algemeen, heel Nederland en Belgie, soms talrijk met duizenden
langs de stranden.

Viervleklieve-
heersbeestje
(Exochomus quadripust-
ulatus)
voedt zich met schildluizen en bladluizen.
leeft vrijwel uitsluitend op bomen.
algemeen op
de zandgron-den.
Nu als u er tegen komt die niet gelijken op de klassieke lieveheersbeestje, kan je altijd deze meest voorkomende lijst met de lieveheersbeestjes raadplegen.
Orius
Orius.jpg
Orius Laevigatus, ook wel de bloemenwants genoemd omdat ze zich van nature daar heel vaak bevindt, is een kleine, afgeplatte wants met een lange, beweeglijke steeksnuit. Ze is ovaalvormig en maar 3 mm groot, de mannetjes zijn iets kleiner. Opvallend zijn de rode ogen. De eieren zijn onzichtbaar en liggen ingebed in het plantenweefsel. De nimfen zijn vleugellozen insecten, in het begin geel van kleur. De oudere nimfen zijn geel met bruine vlekken. In de latere stadia neemt de nimf meer en meer de donkere kleur van de volwassen roofwants aan. De volwassen roofwants leeft zo’n 3 à 4 weken.
Orius-roofwantsen eten alle mobiele tripsstadia. Jongere Orius-nimfen eten wel alleen tripslarven, maar oudere nimfen en adulten kunnen ook volwassen tripsen aan. Bovendien lust Orius ook allerlei andere prooien zoals bladluizen, spint, wittevlieg of motteneieren. Ze doden soms meer dan nodig is voor hun voeding. Ze vinden hun prooi perfect op de tast, houden haar vast met de voorpoten en zuigen haar met hun steeksnavel leeg.
Sluipwespen
sluipwesp 1.jpg
De sluipwesp is zeer efficiënt voor de bestrijding van grotere bladluizen, en witte vlieg. Het parasiteert volwassenen en nimfen. Parasitisme is gemakkelijk te herkennen door de goud-bruin gekleurde mummies. Een vrouwtje kan honderden eitjes leggen gedurende de eerste 4 dagen van haar volwassen leven. A. ervi is een goede zoeker. Ze kunnen bladluishaarden op een lange afstand vinden door het detecteren van "alarmsignalen" die een aangetaste plant produceert of door de geur van honingdauw dat uitgescheiden wordt door de gastheren.
De aanwezigheid van een sluipwesp kan zo'n paniek veroorzaken in een bladluiskolonie dat sommige bladluizen op de grond vallen, waar ze meestal sterven.
Sluipwespen zijn ook zeer effectief tegen de witte vlieg!
Ook hier spreken we over parasitisme op de witte vlieg. Vanaf de vrouwelijke sluipwespen volwassen zijn zullen ze volop eitjes op hun prooi gaan injecteren, vanaf de larven actief zijn zullen ze in geen tijd hun gastheer volledig vanbinnen opvreten, zo kan de witte vlieg zich niet voorzetten.
Gaasvlieg

Algemeen.
Het lichaam van de gaasvlieg is dun en langwerpig en de kleur is groen tot geelgroen. De gaasvlieg lijkt enigszins op een mug, maar de vleugels zijn veel groter, ronder en duidelijk fijn geaderd. De vleugels worden in rust als een afdakje op de rug gevouwen en in de vlucht glinsteren de vleugels vaak door een lichte, parelmoerachtige glans. Het is bepaald geen snelle of behendige vlieger en het kan dan ook makkelijk uit de lucht worden gevangen. Alle vier de vleugels hebben dezelfde vorm en kunnen onafhankelijk van elkaar bewogen worden. Gaasvliegen zijn kwetsbaar; de vleugels zijn snel beschadigd en dan kan er niet meer naar planten gevlogen worden om te eten.
Voorkomen en voedsel.
Gaasvliegen zijn er in vele soorten en maten, de bekendste andere soort is de bruine gaasvlieg (Micromus variegatus), die minder algemeen is. De groene gaasvlieg komt in alle werelddelen voor, behalve Australië en Antarctica. Hij is nuttig omdat deze gaasvlieg enorme hoeveelheden bladluizen eet, vooral als larve. Het imago eet voornamelijk de uitwerpselen van bladluizen (honingdauw) en pollen of stuifmeel. Vrouwtjes eten ook wel eens een luis, vooral als ze zwanger zijn en eitjes hebben. Bladluizen vormen het enige voedsel van de larven, die echte eetmachines zijn en lijken op de larven van lieveheersbeestjes. Bladluizen worden niet opgegeten maar leeggezogen en ook spint en witte vlieg, twee andere beruchte plantenplagen, worden gegeten. Vooral in de kassenteelt worden gaasvliegen massaal ingezet om bladluizen op te ruimen, een enkele larve eet tot wel 50 luizen per dag.
Ontwikkeling.
De eitjes worden afgezet tussen bladluizenkolonies, en staan op lange steeltjes. Dit dient om mieren op afstand te houden, die graag de honingdauw van de luizen opzuigen en de luizen beschermen. De larve is plat en rupsachtig en heeft een bruine, onregelmatige kleur, drie paar kleine pootjes en lange, tang-achtige kaken. Sommige soorten gaasvliegenlarven camoufleren zich met stukjes plant of dode luizen om zo aan de aandacht van mieren te ontsnappen. Als de larve na enige tijd verpopt wordt een spinsel gemaakt tussen de vegetatie. Er komen twee generaties per jaar, en in de winter overwintert het imago, vaak in huizen. Tijdens deze rustperiode kleurt de gaasvlieg bruin, maar in de lente wordt de kleur weer groen.
Natuurlijke aftreksels
Brandnetel
kbrandnetel.jpg
Voornaamste stof is mierenzuur, dat zijn die prikkels die men voelt bij aanraking van het blad.
Aftreksel:1kg verse brandnetel in 10 liter water Na 12 tot 16 uur (er mag nog geen gisting optreden) Afzeven en overdund op het gewas sproeien.
Eventueel kan je het nog verdunnen met zachte zeep.
Gier:Hetzelfde mengsels 4 tot 5 dagen laten staan onder regelmatig roeren
en bijvoegen van gesteentemeel. 10 keer verdunnen en op de grond gieten.
Niet op de cannabis planten gieten, en niet in volle zon!
Helpt verscheidene insecten te weren. Spint, luis, ...
Knoflook
knoflook.jpg
Aftreksels:50 tot 75 gram gesnipperde teentjes. Of 20 gram look poeder.
Laten intrekken in 1 liter water. Zeven en 10 keer verdunnen.
Poeder:Knoflooktenen vermalen en laten drogen tot poeder.
De knoflook zou een werkende geur verspreiden die vogels en insecten weg houden van de plant, ook heeft de knoflook een heilend effect tegen schimmels, de lookpoeder mag je in kleine mate bij zaailingen strooien.
Heermoes

Heermoes bevat veel kiezelzuur.
Aftreksel:200 gram verse of 30 gram gedroogde heermoes op één liter water, 20 minuten laten koken, van het vuur afnemen en 24 uur laten staan.
Daarna zeven door een nylonkous.
1 op 4 verdunnen voor het spuiten.
In de lente diverse keren bespuiten in de ochtend bij droog weer.
Deze aftreksels zijn 100% biologisch, de meeste aftreksel hierboven zijn goed te gebruiken als er schimmelweer op komst is, geven de cannabis of andere gewassen veel meer weerstand en helpen tegen schimmels en bladluizen.
Neemolie

Neemolie, het is een in onze regionen tot nog toe vrij onbekend produkt.
Neemolie is de olie die gewonnen wordt uit de vruchten van de neemboom (Azadirachta indica), een van de twee planten uit het geslacht Azadirachta. De plant komt van oorsprong uit Indië en Birma, in tropische tot sub-tropische regios.
Het is een groen blijvende, snel groeiende boom, die doorgaans een hoogte van 15 to 20 meter bereikt. Ze gedijen in droge warme streken, zo zijn er in mekka 50000 neembomen aangeplant om de pelgrims wat verkoeling en schaduw te brengen.
Gebruiken:
De plant heeft ontelbare medische toepassingen, gaande van maagklachten tot hoge cholesterol, type 2 diabetes en ontelbare andere kwalen en aandoeningen.
Sinds lange tijd worden de twijgjes in delen van Indië en pakistan gebruikt om de tanden te poetsen, dat is mogelijk een van de oudste manieren van tandverzorging die we kennen.
Alle delen van de boom worden gebruikt bij het bereiden van allerhande preparaten en middeltjes.
De plant en de olie bevatten bepaalde terpenoiden die een pesticide werking bezitten, ze helpen tegen allerhande bijtende en zuigende insecten, gaande van muggen bij de mens tot bladluizen op planten.
Het produkt blijkt maar weingi invloed te hebben op nuttige insekten, wat zeer zeker een pluspunt is bij het gebruik, lievenheersbeestjes, oorwormen, enz... lijken er weinig last van te ondervinden, hetzeflde gaat op voor vlinders, bijen, enz...
De plant, de olie en aftreksels van plantdelen blijken ook effectief tegen acne en puistjes, allerhande huid en haar problemen, voet- en andere schimmels, schurft, luizen, teken, vlooien, mijten, enz...
De jonge scheuten van de boom worden gegeten als groente in Indië, na het koken blijft de plant echter een bittere smaak houden en dat wordt niet door iedereen even goed gesmaakt, maar het wordt wel gegeten omwille van de vele goede eigenschappen en uitwerkingen op de gezondheid.
In bepaalde streken in Indië wordt een neemboom in het midden van het dorp aangeplant, die doet dienst als apotheek voor het ganse dorp.
De beste neemolie is die, die verkregen is door koude persing van de vruchten, dit is de meest werkzame olie.
Op planten worden het verdund gebruikt in water, daar is wel een tenside voor nodig om de olie wateroplosbaar te maken, voor degene die echt enkel biologisch willen werken is daarvoor yucca-extract aan te raden, sommige geburiken ook een milde soort afwasmiddel.
De aangeraden dosis ligt tussen 2 en 5 % neemolie in water en tenside of yucca-extract.
Afrikaantjes

Woordje uitleg
Afrikaantje (Tagetes) is een geslacht van eenjarige planten uit de composietenfamilie (Compositae of Asteraceae). Er zijn vele tientallen soorten die van nature voorkomen in de warmere streken van Midden-Amerika en vooral in Mexico. De naam "afrikaantje" slaat dus niet op het gebied van herkomst.
Tegenwoordig is het afrikaantje een bekende tuinplant. Aan het einde van de 16e eeuw werden de soorten Tagetes patula en Tagetes erecta in Europa ingevoerd. Sindsdien zijn er vele hybriden verschenen.
Biologische agressor: de aanplant van Tagetes heeft zo zijn inwerking tegen nematoden of wortellesieaaltjes (Pratylenchus) in de bodem.
Zij worden dus ingezet om beschadiging te voorkomen van bepaalde gewassen in de biologische tuinbouw. Het vrijlevende wortelaaltje dringt niet in de wortel van de plant, maar eet wel zijn wortel. Wij noemen dit ectoparasitisch gedrag, de aaltjes die binnen de plant(wortel) "verblijven", noemen we endoparasitisch.
Hoe werkt de agressor tegen deze aaltjes (Pratylenchus-soorten): het is eigenlijk een "chemische reaktie" die plaats vindt bij het aanvreten van de wortel, waarbij de plant zich gaat verdedigen.
In het vakjargon zouden we zeggen: de wortelcel in de endodermis (die thiofenen bevat) ofwel een vorm van zwavel, gaat een reactie vormen bij het aanvreten. (Daar de plant onmiddellijk peroxidase gaat vormen en een binding aangaat met zwavel). De dodelijke combinatie van zwavel met peroxidase geeft ozon tot gevolg, wat de aaltjes tot slot zal vernietigen. Kortom het is een goede buurplant van de cannabis maar zeker ook voor bolgewassen, aardappelen, aardbeien, rozen, enz..
Goudsbloem
Goudsbloem (Calendula officinalis) is een winterharde, eenjarige plant. De plant bloeit van juni tot en met september (soms nog langer) met oranje/ gele schijfbloemen van 4 tot 7 cm doorsnee. De bloemen hebben aan het einde van hun bloemblaadjes drie tandjes.
goudsbloem.jpg
De bladeren zijn groen, harig, en peddelachtig van vorm. De bladeren zijn gaafrandig. De stengel van Goudsbloem is groen, sappig, hoekig, vertakt en bedekt met haartjes. De plant wordt tussen 30 en 50 cm hoog.
Het zaad van Goudsbloem is beige, 5 mm lang, gevormd zoals een apostrof met een knobbelige ruggengraat. Werkt goed tegen mieren en ongedierte.
goudsbloemzaden.jpg
bronnen: wikipedia, google
Grtz







Comment